Tot nu toe werd
uitgebreid ingegaan op het begrip nagalmtijd
en de onlosmakelijke relatie ervan met zowel
het frequentiespectrum als de inhoud van een
ruimte en diens specifieke gebruiksdoel. De
belangrijkste definitie van de nagalmtijd T-60dB
- kortweg T60 - is hieronder nog eens
weergegeven.
Definitie
Nagalmtijd T60
Nagalmtijd T60 - kortweg de nagalmtijd --
beschrijft de tijdsduur die een gegeven
ruimte nodig heeft om het hele spectrum van
de door een geluidsbron afgestane akoestische
energie over de gehele frequentieband
gelijkmatig zodanig te verzwakken, dat deze
60dB onder de oorspronkelijke geluidssterkte
komt te liggen.

fig.9--- componenten van
de nagalmtijd T60
Soms wordt de nagalmtijd T60 ook wel berekend
door de nagalmtijd T30 te meten en deze met
twee te vermenigvuldigen.
In de lawaaiige omgeving die
in het eerste deel besproken werd maakte het
niveau van achtergrondruis het onmogelijk om
een verval tot 60dB onder het testsignaal
zuiver te meten.
Het lukt in zo'n situatie doorgaans nog wel
om een verval van 30dB ten opzichte van het
oorspronkelijke signaal accuraat te meten, en
zo kan in bovenstaande definitie 60 simpelweg
door 30 worden vervangen en worden verdubbeld
om een nagenoeg juiste T60 te bekomen.
fig.10---als T60-metingen
onmogelijk zijn biedt T30 uitkomst...
Het is nu interessant om nader te bekijken -
beluisteren eigenlijk - op welke wijze de
nagalmtijd zoal tot uitdrukking komt als er
naar muziek geluisterd wordt en hoe de
invloed ervan groot, klein of neutraal kan
zijn.
naar
boven
Hoe
Klinkt Nagalmtijd?
Dit lijkt op het eerste gezicht een onzinnige
vraag, maar is het niet. Immers, de
belangrijkste uitdaging voor een luisteraar
of ruimte-ontwerper is het scheiden en in
kaart brengen van de diverse akoestische
aandachtsgebieden die allemaal samen een
waarneembare rol spelen in elke gegeven
ruimte.
De fundamentele akoestische aandachtsgebieden
zijn:
- Resonantiemodi,
voortvloeiend uit de afmetingen
van de ruimte zelf;
- Een
gebrekkig frequentieverloop als
gevolg van een gecompromitteerde
opstelling;
- Het
reflectiepatroon, zoals dit tot
uiting komt in een willekeurige
ruimte;
- De
breedbandige nagalmtijd, het
hoofdonderwerp van dit schrijven.
Wanneer audiofielen
technisch luisteren interpreteren ze datgene
wat ze horen verstandelijk en koppelen dit
aan een innerlijk referentiekader. Daar is op
zich niets mis mee; we hebben als mens geen
andere keus dan zo te werken wanneer we
onderzoeken, hetgeen technisch luisteren
strikt genomen kan zijn. Het is uiteraard van
belang om dit referentiekader toe te staan om
zich onder druk van groeiende ervaring uit te
breiden. Vanuit psychologisch bekeken moet je
vaststellen dat als bovenstaande vier
akoestische aandachtsgebieden niet in het
referentiekader voorkomen waarmee geluisterd
wordt, ze bij het technisch luisteren ook
niet in het eindoordeel zullen worden
meegenomen. De implicaties van deze conclusie
zijn niet direct geruststellend, maar lees
toch gerust verder...
Lang niet al het geluid dat op de luisterplek
aankomt is het product van uw hardware - de
apparatuur, luidsprekers en randvoorwaarden.
Dit alles is nog altijd slechts
verantwoordelijk voor het directe
geluidsaandeel - zeg maar gerust, de helft.
Maar alles wat onder noemer indirecte
geluidscomponent valt - zeg maar gerust, de
andere helft - komt volledig voor rekening
van de akoestische infrastructuur van de
ruimte en zodoende is de akoestiek de
bakermat voor het indirecte geluid zoals
hardware de bakermat is voor het directe
geluid.
Dit is daarom geen lobby voor belangrijkheid
en voorrang van akoestiek boven hardware,
maar de terechte vaststelling dat goed geluid
geregeerd wordt door een echt
tweepartijenstelsel dat massaal genegeerd
wordt. De indirecte geluidspartij wordt
weinig serieus genomen; de directe
geluidspartij is het heilige huis. De
gevolgen van deze struisvogelpolitiek liegen
er natuurlijk niet om en tonen zich in
hardware met het prijskaartje van menige
aardige tot hele aardige auto, die hoe dan
ook rijdt als een Lada van ruim voor de val
van de muur. En allemaal rijden ze ongeveer
hetzelfde: bonkig en weinig subtiel.
Dit gegeven over de tweedeling of dualiteit
van geluid is cruciaal; zo cruciaal dat ik er
het eerste artikel als gastauteur van hifi.nl
aan heb opgedragen (Klik HIER voor dit artikel op hifi.nl
-- het is op deze site ook te vinden, en wel HIER). De akoestiek van de
ruimte is één van de essentiële
componenten van de geluidsinstallatie.

fig.11--- reflecties
maken deel uit van het indirecte
geluidsaandeel, ook in de opname...
Het lijkt nuttig om de kunst van het
technisch luisteren zodanig te verfijnen dat
er tenminste een idee is over de oorsprong
van de problemen die gehoord worden en om
niet per definitie meteen al er vanuit te
gaan dat er iets met de hardware aan de hand
is. Eerder kwam al zijdelings ter sprake dat
de digitale hardheid die door veel goedkopere
front-ends wordt ingebracht net zo rommelig
en chaotisch kan klinken als een te lange
nagalmtijd in het middengebied. Niet altijd
is meteen overduidelijk welke factor er nu
echt speelt; het is bepaald niet ondenkbaar
de schuld bij de verkeerde partij komt te
liggen of dat beide aspecten een rol spelen.
Zo is ook het niet verstandig om de begrippen
nagalmtijd en staande golven met elkaar te
verwarren tijdens technisch luisteren, al is
daar wel alle reden toe omdat de effecten
ervan zo op elkaar lijken. De opstelling zelf
kan echter nog steeds de oorzaak zijn van een
uiterst onregelmatig frequentieverloop, zelfs
als de nagalmtijd helemaal picobello is.
Een onstabiel en gebrekkig gefocust
stereobeeld kan veroorzaakt worden door een
lange nagalmtijd, maar zelfs bij een
beheerste nagalm kan het reflectiepatroon van
het geluid via vlakke wanden nog altijd
zorgen voor versmering van het directe geluid
doordat het indirecte geluid, hoewel er niet
teveel van is, toch te weinig verstrooid
wordt en dan met name vanuit de eerste
reflectiepunten. In veruit de meeste
praktijkgevallen is de situatie echter
precies andersom: zowel een te lange
nagalmtijd in het middengebied als krachtige
reflecties via harde en vlakke wanden samen
leveren een druk, onsamenhangend en weinig
rustgevend geluidsbeeld op, waarin weliswaar
drie dimensies aanwezig kunnen zijn, maar
niet erg consequent of realistisch. Omdat een
groot deel van de ruimtelijk sensatie van
muziek voor rekening komt van het indirecte
geluidsaandeel is het te begrijpen dat
akoestische optimalisatie met name op dit
gebied voor grote en onvermoede verbeteringen
zal zorgen.
Nagalmtijd werd omschreven als geluid dat
twee of drie maten geleden nog relevant was,
maar nu allang uitgestorven had moeten zijn.
Het verschijnsel van een te lange nagalmtijd
is daarmee gekoppeld aan het onvermogen van
een ruimte om binnen een voldoende kort
tijdsbestek overtollige akoestische energie
weg te werken. Hoe hoger het geluidsvolume,
hoe meer problemen de ruimte zelf krijgt met
die verwerking en hoe groter het
nagalmprobleem relatief gesproken lijkt te
worden. Bij lage volumes kan de ruimte het
surplus aan akoestische energie nog wel kwijt,
maar bij hogere volumes hoe langer hoe minder.
En dat hoor je daadwerkelijk gebeuren - het
toenemen van verzadiging van een ruimte met
indirecte geluidsenergie is in feite heel erg
hoorbaar, wanneer je het eenmaal hebt gehoord,
maar dat is met alles het geval. Wie nog niet
in de gelegenheid was om echte dynamiek van
een doorsnee flauwe weergave te kunnen
onderscheiden zal dynamiek niet missen als
het er niet is, maar het ook niet kunnen
waarderen als het er wel is (het staat
hooguit wat hard...).
Het zelf beoordelen van de nagalmtijd ter
plaatse vergt enige oefening, maar door een
muziekstuk af te spelen op een flink volume
en vervolgens de muziek ineens af te zetten
is duidelijk te horen of en hoeveel geluid
blijft naijlen. Niet dat je dat in één keer
al hoort, maar door het een aantal malen te
herhalen wordt geleidelijk aan duidelijk
welke gebieden langer blijven hangen en welke
duidelijk veel sneller verdwenen zijn. Het is
niet ongebruikelijk om geluid daadwerkelijk
lang te horen naijlen. Eén seconde is in dit
geval al best lang, maar niet
onwaarschijnlijk. Het is ook best goed te
horen of lage tonen lang naijlen, al hoeft
dat dus niet persé een kwestie van
nagalmtijd alleen te zijn maar ook van
staande golven.
De
Variabele Balans.
Er is in iedere luisteromgeving altijd een
balans tussen direct en indirect geluid - het
eerder genoemde tweepartijenstelsel. Het
directe geluid wordt opgewekt door de
luidsprekers en bereikt de oren van de
luisteraar zonder enige omweg. Het indirecte
geluid word eveneens opgewekt door de
luidsprekers, maar bereikt de luisteraar pas
na 1, 2 of 10 oppervlakken te hebben geraakt
en erdoor te worden weerkaatst (de vroege en
late reflecties en het gebied van nagalm uit
fig.9 en 11). Het bereikt de oren van de
luisteraar daardoor natuurlijk niet meer in
zijn oorspronkelijk vorm, aangezien elk
oppervlak dat geraakt wordt frequentie-afhankelijk
iets zal wegnemen uit het oorspronkelijke
signaal (fig.13). Dat wat uiteindelijk de
oren van de luisteraar bereikt is dus
gekleurd bovendien! Nagalmtijd zal om deze
reden tevens een bron van kleuring zijn van
het oorspronkelijke signaal en die kleuring
is permanent, dwz dat deze aanwezig is als
een sterke signatuur die alle opnames in die
ruimte zo'n beetje hetzelfde laat klinken.
Kleuring is de altijd allesoverheersende
deken van een beperkt frequentiegebied dat
zichzelf veel belangrijker acht dan de rest,
al kan het daar zelf niks aan doen.
De geluidssterkte is direct bepalend voor de
hoeveelheid akoestische energie die in een
ruimte gevoerd wordt. Die ruimte is van
zichzelf op grond van constructie en
aankleding in staat om een bepaalde
hoeveelheid energie te neutraliseren. Wanneer
er meer energie in de ruimte word gevoerd
ontstaat uiteindelijk verzadiging, want de
ruimte krijgt simpelweg meer toegevoerd dan
ze kan afvoeren.
Dat is nu de variabele balans: het
verschijnsel dat de ruimte zowel frequentie-afhankelijk
als geluidssterkte-afhankelijk verzadigd kan
raken van akoestische energie die zij niet
kwijt kan en die dus in de vorm van indirecte
geluidsenergie blijft rondwaren in de ruimte
- dat is in 1 zin de essentie van een te
lange nagalmtijd.
Immers, zou de ruimte beter in staat zijn om
de overtollige energie te absorberen, dan zou
de hoeveelheid indirecte geluidsenergie
automatisch veel lager zijn en directe
geluidsenergie manifester maken. Bij een te
lange nagalmtijd gaat het directe geluid, dat
verantwoordelijk is voor afbeeldingsscherpte,
definitie, focus en driedimensionaliteit in
het geluidsbeeld ten onder in indirect geluid,
dat verantwoordelijk is voor ruimtelijke
schaalafbeelding, voor het hoorbare
uitsterven van geluiden uit de opname zelf en
voor een realistisch en met name ook
consequent gevoel van ambiance en ruimte in
het geluidsbeeld. Door maatregelen te nemen
die de nagalmtijd beperken in de
frequentiegebieden die te weinig door de
ruimte worden afgevoerd wordt de hoeveelheid
indirect geluid verminderd ten gunste van het
directe geluid.
Je zou ook kunnen zeggen dat een lange
nagalmtijd beduidend meer reflecties in leven
houdt dan goed is voor een correcte ambiance
of ruimte-indruk, zoals die in de opname is
meegeleverd. De ruimte-informatie van de
opname wil men feitelijk horen; de informatie
van de afspeelruimte wil men daarentegen
zoveel mogelijk reduceren en neutraliseren.
Feit is dat het terugtreden van de signatuur
van de afspeelruimte aanleiding vormt voor
het naar voren treden van de echte
ruimtelijke informatie over de opnameruimte.
Een te lange nagalmtijd komt in de praktijk
dus ook tot uiting in een bepaalde signatuur
of kleuring die over het geluid heen wordt
gedrapeerd en het kenmerk van een signatuur
is dat deze steeds terugkeert, onafhankelijk
van de gekozen muziek die wordt afgespeeld en
doorgaans als een ongenode gast. Het sausje
klinkt altijd hetzelfde, in tegenstelling tot
echte ruimte-informatie die in een opname
besloten ligt: die klinkt juist steeds weer
anders!
Men hoort mijns inziens terecht opgemerkt
worden dat het kenmerk van een werkelijk
goede audioset eruit bestaat dat deze elke
opname op een unieke manier ten gehore brengt
en dat is mijns inziens ook precies wat er
aan de hand is: elke opname IS uniek. Hij kan
uniek zijn op vele manieren, zelfs mooi zijn
van lelijkheid, maar feit is dat die
uniekheid wel neergezet moet kunnen worden en
dat lukt nooit in een ruimte die zichzelf een
signatuur aan heeft gemeten die vele malen
groter is dan de subtiele nuances van de
afgespeelde opname. Die dan ook volkomen
ondergesneeuwd zullen worden. En die oorzaak
zijn voor het trieste gegeven dat teveel
audiofielen nog aangewezen zijn op slechts
een tiental zogenaamd echt goede opnames
terwijl de rest ondraaibaar is en afgedaan
wordt als "geen goede opname". Die
tien referentie-opnames (vaak is het nog maar
1 nummer ook van de hele cd!) blijken een
opname-signatuur te hebben die toevallig goed
samenvalt met de signatuur van de
luisterruimte en de apparatuur. En kunnen dan
best heel lekker klinken. Vervolgens neemt de
audiofiel in kwestie zijn 10
referentieplaatjes mee naar een andere
locatie en gaat luisteren. En concludeert dat
het lang niet zo "lekker" klinkt
als thuis. En wijst zonder scrupules zijn
eigen hardware aan als de winnaar, onkundig
van het feit dat kleuring zijn referentie is
geworden en hem al lang geleden heeft beperkt
tot 10 opnames om van te kunnen genieten en
overal mee naartoe te nemen om het gevoel mee
te bevestigen dat het toch wel de beste set
van de wereld is. En al die 1.000.000 andere
opnamen dan? Zijn die echt allemaal zo slecht?
Mijn ervaring laat me de laatste jaren weten
dat slechte opnames niet echt bestaan wanneer
je kunt (en wilt) luisteren naar de
authenticiteit ervan, zelfs naar de
slechtheid ervan. Wat een opname slecht maakt
is naar mijn mening de onsuccesvolle
interactie met de ruimte zelf en -- op een
heel ander vlak - de mogelijke tekortkomingen
in de hardware en de opstelling daarvan. Het
is natuurlijk gemakkelijk om hier de opname
de schuld van te geven en er bestaan ook
beslist opnames die je maar beter niet te
luid afspeelt, maar als het als alibi voor de
echte problemen wordt gebruikt kan
bovenstaande situatie ontstaan waarin nog
maar 10 opnames fatsoenlijk 'draaibaar'
lijken te zijn.
Het akoestisch vakgebied manipuleert
welbewust de variabele balans tussen het
directe en het indirecte geluidsaandeel. Door
het reduceren van de breedbandige nagalmtijd
blijft er in feite precies voldoende van het
indirecte geluidsaandeel manifest om
constructief bij te dragen aan het
totaalplaatje van de weergave. Op dit punt
aangekomen doet ook het begrip vakmatige
reflectiebeheersing heel even zijn intrede,
omdat deze zich bezighoudt met het bewerken
van het indirecte geluidsaandeel dat mag
blijven in een situatie waarin reeds een
beheerste nagalmtijd is gerealiseerd. Maar
reflectiebeheersing - het doelbewust
toepassen van diffusers -- is een onderwerp
voor een afzonderlijk artikel, hoewel het
naadloos op deze materie zou aansluiten.
Wat is
Nagalmbeheersing dan precies?
Nagalmbeheersing omvat een
pakket toegepaste maatregelen dat speciaal
gemobiliseerd wordt om een van tevoren
geplande breedbandige nagalmtijd T60 te
kunnen realiseren. De keuze voor de diverse
te nemen maatregelen is enerzijds het
resultaat van de bewuste keuze van de
eigenaar voor of tegen een bepaald soort
materiaal. Het is anderzijds het resultaat
van toegepaste berekeningen en metingen die,
mits juist uitgevoerd, niet kunnen liegen. Er
is dus een zeker spanningsveld aanwezig
tussen datgene wat de eigenaar van een ruimte
mogelijkerwijs kan willen en datgene wat
akoestisch gezien het meest wenselijk is. In
een normale rechthoekige ruimte heeft men in
principe de beschikking over zes
verschillende oppervlakken. Deze kunnen al of
niet allemaal gebruikt worden voor
nagalmbeheersing. Het uitgangspunt is dat het
beter is om nagalmbeheersing te realiseren
via zoveel mogelijk oppervlakken, indien
mogelijk.
Nagalmbeheersing is strikt genomen een
rechttoe-rechtaan aangelegenheid: er moet
allereerst worden vastgesteld hoeveel
overtollige akoestische energie er moet
worden geneutraliseerd. Inmiddels weet u wel
dat het dan om frequentie-afhankelijke
geluidsenergie gaat die zich in elke mogelijk
vorm kan manifesteren: teveel of juist te
weinig laagabsorptie; een overgedempt of
juist een ondergedempt middengebied of hoog -
alleen of in combinatie met elkaar. Het kan
allemaal.
naar
boven