Leesvoer

De Praktijk van
Nagalmbeheersing

Toine Dingemans -Januari 2006

 

De Onvermijdelijke Theorieloze Theorie

Het begrip "nagalmtijd" is in de akoestiek een fundamenteel gegeven op basis waarvan diverse voor verbetering van de geluidsweergave belangrijke conclusies kunnen worden getrokken. Denkend in analogie zou je kunnen stellen dat de nagalmtijd van een ruimte analoog is aan de mate van beheersing die een eindversterker heeft over de luidsprekers [uitgedrukt in de dempingsfactor]. Een andere analogie stelt dat nagalmtijd is als het uitslingergedrag van een luidsprekerunit. De elektromagnetische verschijnselen uit de twee voorbeelden hebben een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat energie niet direct in het niets verdwijnt maar nog een zekere tijd naijlt. De apparaten in kwestie kunnen blijkbaar niet zonder tijdvertraging reageren op elektrische energie.

Bij nagalmtijd speelt het analoge verschijnsel dat akoestische energie niet direct in het grote niets kan oplossen en altijd een zekere tijd nodig heeft om uit te sterven tot een niveau dat onder de stoordrempel ligt. Het is natuurlijk ook logisch als je erbij stilstaat: een ruimte kan niet onmiddellijk afrekenen met alle geluidsenergie die erin opgewekt wordt, net zoals een luidspreker die zojuist 50x per seconde 13mm peak-to-peak uitsloeg ook niet meteen kan stilstaan als het signaal stopt, maar nog even naijlt onder invloed van verschillende factoren binnen de elektromechanische eenheid die luidspreker heet. In een ruimte treden analoge akoestische factoren op de voorgrond en die zijn uiteindelijk bepalend voor de nagalmtijd. En die drukt op zijn beurt weer een zodanig groot stempel op de weergavekwaliteit, dat een nadere bestudering gerechtvaardigd lijkt.



Definitie:

Nagalmtijd is de tijdsduur die een gegeven ruimte nodig heeft om de door een geluidsbron afgestane akoestische energie (geluid dus) zodanig te verzwakken dat deze feitelijk onhoorbaar is geworden in die ruimte.

Om het in de meest eenvoudige, maar correcte bewoordingen verder te illustreren: de nagalmtijd komt tijdens het luisteren storend tot uiting, indien geluid uit voorgaande muziekmaten nog altijd een belangrijke rol speelt in de huidige maten die worden gespeeld. Een te lange nagalmtijd maakt dat geluid dat al 2, 3 of zelfs 4 maten geleden uitgestorven had moeten zijn nog altijd storend in de ruimte rondwaart. Zo simpel is het in de basis.
Het is de bedoeling om in dit artikel over de nagalmtijd zoveel mogelijk theorieloos begrijpbaar te maken op welke manier de factor nagalmtijd onder huiselijke omstandigheden een rol speelt en hoe deze naar de hand gezet kan worden. Het artikel is gericht op de audiofiele muziekluisteraar die hierover achtergrondkennis wil opdoen, hoewel ook zal blijken dat de nagalmtijd in woonsituaties waarin geluidskwaliteit geen rol van betekenis speelt nog altijd wel een groot stempel kan drukken op de leefbaarheid in die ruimte.
Aan de hand van herkenbare voorbeelden en de nodige illustraties zal het mogelijk zijn om aan de hand van dit artikel uw eigen nagalmsituatie thuis met veel meer begrip tegemoet te treden en ook met meer kennis over mogelijke en onmogelijke oplossingen voor dit alledaagse fenomeen.

De nagalmtijd behoort uiteindelijk een bondgenoot te zijn en geen vijand.





een breedbandig muzieksignaal
sterft uit




Nagalmtijd en Frequentie /
Frequentie-afhankelijke Nagalmtijd

De definitie hierboven spreekt over geluid in de vorm van akoestische energie en brengt dit in verband met de tijd die nodig is om deze energie uit te laten doven tot het punt waarop het niet langer een storende invloed uitoefent op de weergave van de muziek. Nagalm is een ruimteprobleem - geen hardwareprobleem. Zelfs de beste hardware is machteloos tegenover een lange nagalmtijd, zoals een sportwagen machteloos is bij afwezigheid van een verhard wegennet.

"Geluid" is in de praktijk een samengesteld geheel en bestaat voor onze waarneming uit een verzameling frequenties die het gehele hoorbare spectrum kan omvatten, van heel lage frequenties onder 100Hz of lager tot heel hoge van 4kHz en hoger. Het komt nooit voor dat alle frequenties in een bepaalde ruimte in precies hetzelfde tijdsbestek uitdoven tot onder de stoordrempel. De praktijk is op dit punt grillig en divers en het is denkbaar dat in een gegeven ruimte frequenties van 3kHz en hoger zeer snel uitsterven, terwijl frequenties tussen 1kHz en 3kHz daar een veel langere tijd voor nodig hebben. Dit zal het geval zijn in ruimtes waarin veel hoogabsorptie is ingebracht middels tapijt, ruime stoffering en stoffen meubels die stuk voor stuk krachtiger absorberen naarmate de frequentie toeneemt. Het kan ook voorkomen dat frequenties uit het lage middengebied en het laag (alles onder 300Hz) relatief lang in een ruimte blijven hangen, terwijl het midden en hoog een juiste nagalmtijd heeft. Kortom: allerlei combinaties zijn mogelijk en zullen in de praktijk ook voorkomen zoals het artikel zal tonen.

Bij alle beschouwingen i.v.m. nagalmtijd is het nodig om deze altijd in relatie tot het frequentiespectrum te beschouwen. De nagalmtijd is altijd frequentie-afhankelijk en hun relatie is onlosmakelijk en intens. De eerdere definitie kan nu enigszins worden aangepast aan deze meerkennis:

Definitie
frequentie-afhankelijke nagalmtijd:

Frequentie-afhankelijke nagalmtijd is de tijdsduur die een gegeven ruimte nodig heeft om de door een geluidsbron afgestane akoestische energie binnen een zekere frequentieband gelijkmatig zodanig te verzwakken dat deze feitelijk onhoorbaar zal worden.

De grafiek hieronder laat een nagalmmeting zien van een vooralsnog onbehandelde ruimte. De nagalmtijd is over de gehele linie te lang, maar niet extreem lang. Met name het lage middengebied (100-300Hz) kan de nodige aanvullende absorptie gebruiken, maar ook het midden en hoog hebben nog een reductie van 50% nodig om een correcte nagalmtijd te krijgen.


fig.2--- een 2-4x te lange nagalmtijd...


naar boven




fig.1--- geluid is een complexe
structuur van grond- en boventonen

Hoe lang is lang; Hoe kort is kort;
Hoe onhoorbaar is onhoorbaar?

Nu duidelijk zal zijn geworden dat alle frequenties, van laag tot hoog, zoveel mogelijk binnen hetzelfde tijdsbestek zouden moeten uitsterven dient zich de vraag aan hoe lang dit precies behoort te duren.

Hoe lang is een te lange nagalmtijd?
En hoe kort is een correcte nagalmtijd?
Hoe onhoorbaar is onhoorbaar eigenlijk?

Alvorens hierop in te gaan moet nog een onlosmakelijke relatie in ogenschouw worden genomen, namelijk die tussen de correcte nagalmtijd en de inhoud van een ruimte. De nagalmtijd in een kathedraal bedraagt al gauw een seconde of acht, zonder dat dit een probleem is - het is zelfs wenselijk en er is welbewust tijdens de bouw gestreefd naar het realiseren van die tijd.
Een nagalmkarakteristiek, gemeten in een grote kerk, zou eruit kunnen zien als in de afbeelding hieronder. De curve volgt frequentie-afhankelijk het tijdsbestek waarin geluid "onhoorbaar" is geworden (met 60dB is afgevallen t.o.v. het oorspronkelijke signaal). In het laag is sprake van een nagalmtijd van ruim 10 seconden en daar is op zich niets mis mee in zo'n omgeving. Het middengebied heeft een nagalmtijd die in de buurt van 6 seconden ligt en deze loopt boven 2kHz geleidelijk aan af maar komt niet onder de seconde in het echte toongebied.


fig.3a--- deze nagalmtijd is een grote kerk waardig...

De nagalmtijd in een kale ruimte van 150 kuub - een behoorlijk grote huiskamer - bedraagt vaak een seconde of vier, maar dat is dan wel een serieus probleem dat de weergave van zelfs de beste hardware compleet zal verzieken! De breedbandige nagalmtijd dient in huiselijke ruimtes voor muziekweergave bij voorkeur niet langer te zijn dan 1 seconde en niet korter dan 0,2 seconde. Een ruime marge dus.

Onderstaand fig. 3b geeft een goed beeld van de opbouw van de nagalmtijd, zoals die in ruimtes in uw huis zal gelden. Het gebied van nagalm zelf bedraagt 0,3 tot 8 seconden. 0,3 seconden is de correcte gemiddelde waarde voor de nagalmtijd, maar 8 seconden is een zeer lange nagalmtijd voor huiselijke begrippen. Langere tijden kom je zomaar niet tegen in huis.


fig.3b--- de opbouw van de nagalmtijd in een schema...

De term onhoorbaar in de tot nu toe gehanteerde definitie van nagalmtijd refereert aan een stoordrempel. Als geluid onder die stoordrempel komt wordt het niet letterlijk maar wel figuurlijk onhoorbaar. In een lawaaiige omgeving zal deze stoordrempel veel hoger liggen dan in een rustige omgeving. In de lawaaiige omgeving heerst een gemiddeld geluidsniveau van om en nabij de 95dB, hetgeen overeenkomt met het geluid op een werkvloer, in een druk restaurant of in een ruimte waarin muziek op realistische geluidssterkte wordt weergegeven. Geluiden die meer dan 30dB onder dit gemiddelde niveau liggen worden niet zo bewust waargenomen, tenzij men zich er specifiek op wil concentreren of erdoor gegrepen wordt (hetgeen één van de geneugten van het audiofiele luisteren kan zijn). Geluiden die 60dB onder het gemiddelde geluidsniveau liggen zijn onhoorbaar geworden - ze vormen geen storend element meer 'uit het recente verleden', dat de luisteraar in het heden afleidt van de muzikale boodschap.
In een rustige omgeving is het gemiddelde geluidsnivo 50 tot 60dB. Ook hier ligt de stoordrempel dezelfde factor van 60dB onder het gemiddelde, maar omdat dit gemiddelde zoveel lager ligt als in een lawaaiige omgeving kunnen ook relatief zachte geluiden nog altijd als storend worden ervaren, terwijl ze in de lawaaiige omgeving volkomen ten onder gaan in het gemiddelde heersende geweld.

Men heeft het begrip T60 (T-60dB) in het leven geroepen om zo het relatieve karakter van de stoordrempel te kunnen meenemen. Daarmee kan nu de definitie van de frequentie-afhankelijke nagalmtijd worden uitgebreid, opdat ook de relatie tussen de geluidsdruk en het uitsterven wordt omvat, los van de reeds genoemde frequentie-afhankelijkheid. Fig.3b is in feite een grafische uitbeelding van onderstaande definitie en ik verwijs er in dit verband nog eens naar.

Definitie - nagalmtijd T60:
Nagalmtijd T60 - kortweg de nagalmtijd in deze artikelen -- beschrijft de tijdsduur die een gegeven ruimte nodig heeft om het hele spectrum van de door een geluidsbron afgestane akoestische energie over de gehele frequentieband gelijkmatig zodanig te verzwakken dat dit 60dB onder de oorspronkelijke geluidssterkte komt te liggen.

Deze laatste uitbreiding van het begrip nagalmtijd heeft implicaties die wellicht niet meteen duidelijk zijn. Iedere luisteraar zal bewust of onbewust bekend zijn met het fenomeen dat een lange nagalmtijd het duidelijkst tot uiting komt wanneer men muziek op realistische sterkte afspeelt. Bij een gering geluidsniveau speelt de invloed van de ruimte een kleinere rol als bij realistische geluidsniveaus van 90-100dB of daaromtrent. Met het toenemen van het volume neemt ook de storende invloed van de nagalmtijd toe en dit fenomeen is wel verklaarbaar. Bij hogere geluidssterkten is de achtergrondruis, die constant en onafhankelijk van het geluidsvolume van de geluidsinstallatie aanwezig is, onhoorbaar, omdat deze veel meer dan 50dB onder het geluidsvolume ligt. Het uitstervende geluid kan mengt zich met de aanwezige muziek en kan zich manifesteren als storend element, omdat het geluid betreft dat in feite al had moeten uitsterven tot minus 60dB. Het wordt ook als storend ervaren omdat het in zekere zin in directe relatie staat tot de muziek zelf: het is immers de muziek van twee maten geleden!


naar boven



Handjeklap en Nagalmtijd.
Het komt voor dat iemand een ruimte betreedt, een aantal keren in de handen klapt en concludeert dat het met de nagalmtijd van de ruimte wel goed zit. Of juist niet. Zo'n handelwijze kan wel of niet zinvol zijn.
Wanneer de ruimte in kwestie voor audiofiele doeleinden is bedoeld, is het handjeklap volkomen ontoereikend om iets anders vast te stellen dan de aanwezigheid van flutter-echo en enig idee te krijgen omtrent een stukje nagalmtijd in het deelgebied tussen 800 en 3000Hz. Wanneer de ruimte in kwestie een woonkamer is waarin muziekweergave geen rol van betekenis speelt, kan aan het handjeklap behoorlijk wat nuttige informatie worden ontleend. Het doel van een ruimte dicteert zodoende de bandbreedte waarbinnen de nagalmtijd correct dient te zijn - wonen alleen vraagt enkel een beheerste nagalmtijd in het middengebied 700-2500Hz, maar audiofiel wonen vraagt een beheerste nagalm tussen 20Hz en 20kHz.

Neem een woonkamer in een nieuwbouwhuis - uitsluitend beton rondom, afgewisseld met glas van plafond tot vloer. Denk er vervolgens natuursteen bij op de vloer en je begrijpt dat dit de ingrediënten kunnen zijn voor een relatief lange nagalmtijd, die in het middengebied wel op kan lopen naar 3 seconden! Het doel van deze ruimte is wonen; converseren, televisie kijken, spelen voor de kinderen. Kwaliteitsweergave van muziek is geen issue. Bij al deze activiteiten worden geen lage tonen van betekenis opgewekt. Bijgevolg is het ook niet nodig om veel aandacht te besteden aan beheersing van de nagalmtijd in het lagetonengebied. Juist wel heel belangrijk is het om volop aandacht te besteden aan het voor conversatie en woongenot cruciale frequentiegebied dat loopt van 800 tot 3500 Hz - het middengebied en een deel van het hoge middengebied. Een lange nagalmtijd in dat frequentiegebied geeft bewoners namelijk het idee dat ze 10 kinderen hebben in plaats van 2 en dat er 20 mensen op een feestje zijn terwijl er in feite een rustig gesprek met 4 deelnemers gaande is. Fig.4 hieronder laat een soortgelijke situatie zien.


fig.4--- hier is selectieve nagalmbeheersing nodig...

Een lange nagalmtijd bederft het woongenot nodeloos, omdat is aangetoond dat het mensen onrustig maakt en hen bedachtzamer en meer geforceerd laat spreken om de verstaanbaarheid te garanderen indien je verder dan 70cm van elkaar verwijderd bent. De persoon die binnenkomt en op verschillende manieren in zijn handen klapt krijgt hierdoor een redelijk beeld van de nagalmtijd in het belangrijkste frequentiegebied dat het woongenot definieert.



Breedbandige of Selectieve Nagalmbeheersing?
In het verlengde van het gebruiksdoel van een ruimte kan worden overwogen om selectief aan nagalmbeheersing te doen, dus binnen een beperkter frequentiegebied dan het volledige hoorbare spectrum. Daar waar geen laagprobleem is, zoals in fig.4, is het ook niet nodig om speciale maatregelen te nemen, maar dit is nogal een zeldzaamheid.
Aangezien maatregelen voor beheersing van lage tonen altijd fysiek groot uitvallen en veel ruimte innemen, is het goed om te weten dat ze niet ingezet hoeven te worden onder omstandigheden waar dergelijke frequenties geen rol spelen. Basstraps in een kantoor is dus geen zinvolle optie, tenzij het kantoor bevolkt wordt door audiofielen die ook onder werktijd fullrange, high-end uit de radio willen horen....

Een puur audiofiele luisterruimte waarin kleine monitorluidsprekers zullen worden toegepast heeft evenmin behoefte aan hele diepe basstraps of andere nagalmbeperkende middelen die lager ingrijpen dan 70Hz. De monitor is uit de aard der zaak niet in staat om die frequenties storend aan te spreken. In deze kleinere ruimte kunnen weer wel heel makkelijk problemen ontstaan met de nagalmtijd in het lage middengebied - 100-500Hz, waar bovendien ook de belangrijkste resonantiemodi liggen die door de afmetingen van deze ruimte worden gedicteerd. Uiteraard zijn voor dit doel ook specifieke hulpmiddelen voorhanden die desgewenst ook buiten het genoemde frequentiegebied werkzaam kunnen zijn en bijvoorbeeld ook het midden en hoog aanpakken. Of het hoog juist met rust laten als dat nodig zou zijn, maar het midden stevig dempen. Een goed gekozen verlaagd plafond zal bijvoorbeeld krachtig laagmidden kunnen absorberen en zijdelings doorwerken in het laag onder 100Hz en als het nodig is ook tot ver in het middengebied en desgewenst ook in het hoog. Het is niet zo dat de werking van een akoestisch element ineens ophoudt bij een bepaalde frequentie; de afval van de werkingsgraad kan evenwel behoorlijk steil of flauw zijn, en daarvan kan doelbewust gebruik worden gemaakt in de praktijk.

|
fig.5-- smalbandige absorptie | fig.6- breedbandige absorptie

Een tube trap is machteloos tegen een smalbandig en krachtig resonantieprobleem, maar kan uitstekend in een groter frequentiegebied, bijvoorbeeld het lage middengebied, de nagalmtijd beheersen. De voorbeeldcurve (fig. 6) laat zien waarom dat zo is. Omgekeerd zal een membraan-basstrap een effectieve bandbreedte van weinig meer dan 1,5 oktaaf hebben en daardoor geschikter zijn om smalbandige frequentie- en nagalmproblemen aan te pakken.

Je kunt wel zeggen dat bijna alle ruimtes baat hebben bij beheersing van de nagalmtijd in het lage middengebied. Doorgaans is dat het meest ondergedempte frequentiegebied; het betreft hier het gebied van 80 tot 300Hz. Fig.7 hieronder geeft een typische situatie weer van een ruimte waarin een behoorlijk grillige nagalmtijd heerst.


fig.7--- een nogal onregelmatig verlopende T60...

Het voorbeeld hierboven laat heel duidelijk het frequentie-afhankelijke geluidsabsorberende vermogen van een ruimte zien. Dit fenomeen staat in wezen geheel los van de ratios van een ruimte, die voor een geheel eigen pakket resonantieproblemen kunnen zorgen onder 200Hz. Die hebben weliswaar niets met de nagalmtijd zelf te maken, maar kunnen wel als problematisch worden ervaren, zowel op zichzelf staand als in combinatie met een eventueel problematische nagalmtijd zoals die uit het voorbeeld hierboven. Maar een staande golf van 50Hz, gedefinieerd door de afmetingen van een ruimte, heeft niets te maken met de nagalmtijd van die ruimte. Want of de ruimte nu totaal onbehandeld is of een complete akoestische behandeling heeft ondergaan, de staande golf blijft aanwezig omdat die door de afmetingsverhoudingen van de ruimte wordt opgeroepen.

Eén van de uitdagingen en ervaringsgebieden van binnenhuisakoestiek is zodoende het scheiden van de probleemgebieden. Er moet in kaart gebracht worden welk probleem door welke akoestische parameter wordt bepaald en ook hoeveel ervan. Een staande golf (heel smalbandig) kan beter niet worden verward met een lange nagalmtijd in het laag (nogal breedbandig). Een lange nagalmtijd in het middengebied moet evenmin abusievelijk worden aangezien voor de digitale hardheid van een supermarkt budget cd-speler, ondanks de sonische gelijkenis tussen beide 'kwalen'.

Voor het grafisch in kaart brengen van de nagalmtijd is het gebruikelijk om de voor akoestiek belangrijkste frequentieband van 20Hz tot 8000Hz onder te verdelen in tertsbanden (1/3 oktaafbanden), zoals de gebruikte illustraties tonen. Dit levert voldoende resolutie op om in de praktijk te kunnen werken. De vraag of selectief of breedbandig op de nagalmtijd moet worden ingewerkt is deels afhankelijk van het doel van de ruimte en verder van de werkelijke nagalmsituatie ter plaatse.

Het komt soms voor dat een gegeven ruimte alleen maar aanvullende middenabsorptie nodig heeft voor het beheersen van de nagalmtijd (fig.4). Indien de ruimte veel hout bevat (zwevende vloer en/of plafond) en veel glas kan hierdoor heel veel akoestische laagfrequente energie afgevoerd of geneutraliseerd worden en indien er bovendien een stevig wollen tapijt op de vloer ligt kan ook het hoog al meer dan voldoende gedempt zijn, zodat alleen het middengebied overblijft voor extra maatregelen. In dat geval kun je spreken van selectieve nagalmbeheersing.

Maar het omgekeerde komt veel vaker voor (fig.8): iemand heeft zo al het een en ander in zijn ruimte aan demping aangebracht en heeft met name het hoge middengebied en het hoog geheel onder controle - de nagalmtijd voor frequenties boven 2,5 tot 3kHz ligt dan rond de 0,3 tot 0,4 seconden. Ook het middengebied is behoorlijk in orde door allerlei inrichtingsstukken, maar geen van die maatregelen en niets in de constructie van de ruimte is in staat geweest om echt lage tonen te absorberen, met als gevolg dat de nagalmtijd daarvan onevenredig lang is - doorgaans 1,5 seconde of meer. Zo'n eenzijdig gedempte ruimte kan bijzonder onaangenaam klinken. Al die voor de hand liggende dempingsmaterialen hebben slechts een klein deel van het gehele breedbandige nagalmprobleem weggenomen, waardoor het restprobleem juist extra scherp afsteekt bij de rest van het behandelde deel van het spectrum.
Dit komt heel goed naar voren in de volgende voorbeeldgrafiek, afkomstig uit een grote en stevig gedempte betonnen kelder.


fig.8--- eenzijdige absorptie, hier resulterend in stijging van nagalmtijd met het dalen van de frequentie



Tot nu toe werd uitgebreid ingegaan op het begrip nagalmtijd en de onlosmakelijke relatie ervan met zowel het frequentiespectrum als de inhoud van een ruimte en diens specifieke gebruiksdoel. De belangrijkste definitie van de nagalmtijd T-60dB - kortweg T60 - is hieronder nog eens weergegeven.

Definitie Nagalmtijd T60
Nagalmtijd T60 - kortweg de nagalmtijd -- beschrijft de tijdsduur die een gegeven ruimte nodig heeft om het hele spectrum van de door een geluidsbron afgestane akoestische energie over de gehele frequentieband gelijkmatig zodanig te verzwakken, dat deze 60dB onder de oorspronkelijke geluidssterkte komt te liggen.


fig.9--- componenten van de nagalmtijd T60

Soms wordt de nagalmtijd T60 ook wel berekend door de nagalmtijd T30 te meten en deze met twee te vermenigvuldigen.

In de lawaaiige omgeving die in het eerste deel besproken werd maakte het niveau van achtergrondruis het onmogelijk om een verval tot 60dB onder het testsignaal zuiver te meten.

Het lukt in zo'n situatie doorgaans nog wel om een verval van 30dB ten opzichte van het oorspronkelijke signaal accuraat te meten, en zo kan in bovenstaande definitie 60 simpelweg door 30 worden vervangen en worden verdubbeld om een nagenoeg juiste T60 te bekomen.

fig.10---als T60-metingen onmogelijk zijn biedt T30 uitkomst...

Het is nu interessant om nader te bekijken - beluisteren eigenlijk - op welke wijze de nagalmtijd zoal tot uitdrukking komt als er naar muziek geluisterd wordt en hoe de invloed ervan groot, klein of neutraal kan zijn.


naar boven



Hoe Klinkt Nagalmtijd?
Dit lijkt op het eerste gezicht een onzinnige vraag, maar is het niet. Immers, de belangrijkste uitdaging voor een luisteraar of ruimte-ontwerper is het scheiden en in kaart brengen van de diverse akoestische aandachtsgebieden die allemaal samen een waarneembare rol spelen in elke gegeven ruimte.
De fundamentele akoestische aandachtsgebieden zijn:

  • Resonantiemodi, voortvloeiend uit de afmetingen van de ruimte zelf;
  • Een gebrekkig frequentieverloop als gevolg van een gecompromitteerde opstelling;
  • Het reflectiepatroon, zoals dit tot uiting komt in een willekeurige ruimte;
  • De breedbandige nagalmtijd, het hoofdonderwerp van dit schrijven.

Wanneer audiofielen technisch luisteren interpreteren ze datgene wat ze horen verstandelijk en koppelen dit aan een innerlijk referentiekader. Daar is op zich niets mis mee; we hebben als mens geen andere keus dan zo te werken wanneer we onderzoeken, hetgeen technisch luisteren strikt genomen kan zijn. Het is uiteraard van belang om dit referentiekader toe te staan om zich onder druk van groeiende ervaring uit te breiden. Vanuit psychologisch bekeken moet je vaststellen dat als bovenstaande vier akoestische aandachtsgebieden niet in het referentiekader voorkomen waarmee geluisterd wordt, ze bij het technisch luisteren ook niet in het eindoordeel zullen worden meegenomen. De implicaties van deze conclusie zijn niet direct geruststellend, maar lees toch gerust verder...

Lang niet al het geluid dat op de luisterplek aankomt is het product van uw hardware - de apparatuur, luidsprekers en randvoorwaarden. Dit alles is nog altijd slechts verantwoordelijk voor het directe geluidsaandeel - zeg maar gerust, de helft. Maar alles wat onder noemer indirecte geluidscomponent valt - zeg maar gerust, de andere helft - komt volledig voor rekening van de akoestische infrastructuur van de ruimte en zodoende is de akoestiek de bakermat voor het indirecte geluid zoals hardware de bakermat is voor het directe geluid.
Dit is daarom geen lobby voor belangrijkheid en voorrang van akoestiek boven hardware, maar de terechte vaststelling dat goed geluid geregeerd wordt door een echt tweepartijenstelsel dat massaal genegeerd wordt. De indirecte geluidspartij wordt weinig serieus genomen; de directe geluidspartij is het heilige huis. De gevolgen van deze struisvogelpolitiek liegen er natuurlijk niet om en tonen zich in hardware met het prijskaartje van menige aardige tot hele aardige auto, die hoe dan ook rijdt als een Lada van ruim voor de val van de muur. En allemaal rijden ze ongeveer hetzelfde: bonkig en weinig subtiel.

Dit gegeven over de tweedeling of dualiteit van geluid is cruciaal; zo cruciaal dat ik er het eerste artikel als gastauteur van hifi.nl aan heb opgedragen (Klik
HIER voor dit artikel op hifi.nl -- het is op deze site ook te vinden, en wel HIER). De akoestiek van de ruimte is één van de essentiële componenten van de geluidsinstallatie.


fig.11--- reflecties maken deel uit van het indirecte geluidsaandeel, ook in de opname...

Het lijkt nuttig om de kunst van het technisch luisteren zodanig te verfijnen dat er tenminste een idee is over de oorsprong van de problemen die gehoord worden en om niet per definitie meteen al er vanuit te gaan dat er iets met de hardware aan de hand is. Eerder kwam al zijdelings ter sprake dat de digitale hardheid die door veel goedkopere front-ends wordt ingebracht net zo rommelig en chaotisch kan klinken als een te lange nagalmtijd in het middengebied. Niet altijd is meteen overduidelijk welke factor er nu echt speelt; het is bepaald niet ondenkbaar de schuld bij de verkeerde partij komt te liggen of dat beide aspecten een rol spelen.
Zo is ook het niet verstandig om de begrippen nagalmtijd en staande golven met elkaar te verwarren tijdens technisch luisteren, al is daar wel alle reden toe omdat de effecten ervan zo op elkaar lijken. De opstelling zelf kan echter nog steeds de oorzaak zijn van een uiterst onregelmatig frequentieverloop, zelfs als de nagalmtijd helemaal picobello is.

Een onstabiel en gebrekkig gefocust stereobeeld kan veroorzaakt worden door een lange nagalmtijd, maar zelfs bij een beheerste nagalm kan het reflectiepatroon van het geluid via vlakke wanden nog altijd zorgen voor versmering van het directe geluid doordat het indirecte geluid, hoewel er niet teveel van is, toch te weinig verstrooid wordt en dan met name vanuit de eerste reflectiepunten. In veruit de meeste praktijkgevallen is de situatie echter precies andersom: zowel een te lange nagalmtijd in het middengebied als krachtige reflecties via harde en vlakke wanden samen leveren een druk, onsamenhangend en weinig rustgevend geluidsbeeld op, waarin weliswaar drie dimensies aanwezig kunnen zijn, maar niet erg consequent of realistisch. Omdat een groot deel van de ruimtelijk sensatie van muziek voor rekening komt van het indirecte geluidsaandeel is het te begrijpen dat akoestische optimalisatie met name op dit gebied voor grote en onvermoede verbeteringen zal zorgen.

Nagalmtijd werd omschreven als geluid dat twee of drie maten geleden nog relevant was, maar nu allang uitgestorven had moeten zijn. Het verschijnsel van een te lange nagalmtijd is daarmee gekoppeld aan het onvermogen van een ruimte om binnen een voldoende kort tijdsbestek overtollige akoestische energie weg te werken. Hoe hoger het geluidsvolume, hoe meer problemen de ruimte zelf krijgt met die verwerking en hoe groter het nagalmprobleem relatief gesproken lijkt te worden. Bij lage volumes kan de ruimte het surplus aan akoestische energie nog wel kwijt, maar bij hogere volumes hoe langer hoe minder. En dat hoor je daadwerkelijk gebeuren - het toenemen van verzadiging van een ruimte met indirecte geluidsenergie is in feite heel erg hoorbaar, wanneer je het eenmaal hebt gehoord, maar dat is met alles het geval. Wie nog niet in de gelegenheid was om echte dynamiek van een doorsnee flauwe weergave te kunnen onderscheiden zal dynamiek niet missen als het er niet is, maar het ook niet kunnen waarderen als het er wel is (het staat hooguit wat hard...).
Het zelf beoordelen van de nagalmtijd ter plaatse vergt enige oefening, maar door een muziekstuk af te spelen op een flink volume en vervolgens de muziek ineens af te zetten is duidelijk te horen of en hoeveel geluid blijft naijlen. Niet dat je dat in één keer al hoort, maar door het een aantal malen te herhalen wordt geleidelijk aan duidelijk welke gebieden langer blijven hangen en welke duidelijk veel sneller verdwenen zijn. Het is niet ongebruikelijk om geluid daadwerkelijk lang te horen naijlen. Eén seconde is in dit geval al best lang, maar niet onwaarschijnlijk. Het is ook best goed te horen of lage tonen lang naijlen, al hoeft dat dus niet persé een kwestie van nagalmtijd alleen te zijn maar ook van staande golven.



De Variabele Balans.
Er is in iedere luisteromgeving altijd een balans tussen direct en indirect geluid - het eerder genoemde tweepartijenstelsel. Het directe geluid wordt opgewekt door de luidsprekers en bereikt de oren van de luisteraar zonder enige omweg. Het indirecte geluid word eveneens opgewekt door de luidsprekers, maar bereikt de luisteraar pas na 1, 2 of 10 oppervlakken te hebben geraakt en erdoor te worden weerkaatst (de vroege en late reflecties en het gebied van nagalm uit fig.9 en 11). Het bereikt de oren van de luisteraar daardoor natuurlijk niet meer in zijn oorspronkelijk vorm, aangezien elk oppervlak dat geraakt wordt frequentie-afhankelijk iets zal wegnemen uit het oorspronkelijke signaal (fig.13). Dat wat uiteindelijk de oren van de luisteraar bereikt is dus gekleurd bovendien! Nagalmtijd zal om deze reden tevens een bron van kleuring zijn van het oorspronkelijke signaal en die kleuring is permanent, dwz dat deze aanwezig is als een sterke signatuur die alle opnames in die ruimte zo'n beetje hetzelfde laat klinken.

Kleuring is de altijd allesoverheersende deken van een beperkt frequentiegebied dat zichzelf veel belangrijker acht dan de rest, al kan het daar zelf niks aan doen.

De geluidssterkte is direct bepalend voor de hoeveelheid akoestische energie die in een ruimte gevoerd wordt. Die ruimte is van zichzelf op grond van constructie en aankleding in staat om een bepaalde hoeveelheid energie te neutraliseren. Wanneer er meer energie in de ruimte word gevoerd ontstaat uiteindelijk verzadiging, want de ruimte krijgt simpelweg meer toegevoerd dan ze kan afvoeren.

Dat is nu de variabele balans: het verschijnsel dat de ruimte zowel frequentie-afhankelijk als geluidssterkte-afhankelijk verzadigd kan raken van akoestische energie die zij niet kwijt kan en die dus in de vorm van indirecte geluidsenergie blijft rondwaren in de ruimte - dat is in 1 zin de essentie van een te lange nagalmtijd.

Immers, zou de ruimte beter in staat zijn om de overtollige energie te absorberen, dan zou de hoeveelheid indirecte geluidsenergie automatisch veel lager zijn en directe geluidsenergie manifester maken. Bij een te lange nagalmtijd gaat het directe geluid, dat verantwoordelijk is voor afbeeldingsscherpte, definitie, focus en driedimensionaliteit in het geluidsbeeld ten onder in indirect geluid, dat verantwoordelijk is voor ruimtelijke schaalafbeelding, voor het hoorbare uitsterven van geluiden uit de opname zelf en voor een realistisch en met name ook consequent gevoel van ambiance en ruimte in het geluidsbeeld. Door maatregelen te nemen die de nagalmtijd beperken in de frequentiegebieden die te weinig door de ruimte worden afgevoerd wordt de hoeveelheid indirect geluid verminderd ten gunste van het directe geluid.

Je zou ook kunnen zeggen dat een lange nagalmtijd beduidend meer reflecties in leven houdt dan goed is voor een correcte ambiance of ruimte-indruk, zoals die in de opname is meegeleverd. De ruimte-informatie van de opname wil men feitelijk horen; de informatie van de afspeelruimte wil men daarentegen zoveel mogelijk reduceren en neutraliseren. Feit is dat het terugtreden van de signatuur van de afspeelruimte aanleiding vormt voor het naar voren treden van de echte ruimtelijke informatie over de opnameruimte. Een te lange nagalmtijd komt in de praktijk dus ook tot uiting in een bepaalde signatuur of kleuring die over het geluid heen wordt gedrapeerd en het kenmerk van een signatuur is dat deze steeds terugkeert, onafhankelijk van de gekozen muziek die wordt afgespeeld en doorgaans als een ongenode gast. Het sausje klinkt altijd hetzelfde, in tegenstelling tot echte ruimte-informatie die in een opname besloten ligt: die klinkt juist steeds weer anders!

Men hoort mijns inziens terecht opgemerkt worden dat het kenmerk van een werkelijk goede audioset eruit bestaat dat deze elke opname op een unieke manier ten gehore brengt en dat is mijns inziens ook precies wat er aan de hand is: elke opname IS uniek. Hij kan uniek zijn op vele manieren, zelfs mooi zijn van lelijkheid, maar feit is dat die uniekheid wel neergezet moet kunnen worden en dat lukt nooit in een ruimte die zichzelf een signatuur aan heeft gemeten die vele malen groter is dan de subtiele nuances van de afgespeelde opname. Die dan ook volkomen ondergesneeuwd zullen worden. En die oorzaak zijn voor het trieste gegeven dat teveel audiofielen nog aangewezen zijn op slechts een tiental zogenaamd echt goede opnames terwijl de rest ondraaibaar is en afgedaan wordt als "geen goede opname". Die tien referentie-opnames (vaak is het nog maar 1 nummer ook van de hele cd!) blijken een opname-signatuur te hebben die toevallig goed samenvalt met de signatuur van de luisterruimte en de apparatuur. En kunnen dan best heel lekker klinken. Vervolgens neemt de audiofiel in kwestie zijn 10 referentieplaatjes mee naar een andere locatie en gaat luisteren. En concludeert dat het lang niet zo "lekker" klinkt als thuis. En wijst zonder scrupules zijn eigen hardware aan als de winnaar, onkundig van het feit dat kleuring zijn referentie is geworden en hem al lang geleden heeft beperkt tot 10 opnames om van te kunnen genieten en overal mee naartoe te nemen om het gevoel mee te bevestigen dat het toch wel de beste set van de wereld is. En al die 1.000.000 andere opnamen dan? Zijn die echt allemaal zo slecht?
Mijn ervaring laat me de laatste jaren weten dat slechte opnames niet echt bestaan wanneer je kunt (en wilt) luisteren naar de authenticiteit ervan, zelfs naar de slechtheid ervan. Wat een opname slecht maakt is naar mijn mening de onsuccesvolle interactie met de ruimte zelf en -- op een heel ander vlak - de mogelijke tekortkomingen in de hardware en de opstelling daarvan. Het is natuurlijk gemakkelijk om hier de opname de schuld van te geven en er bestaan ook beslist opnames die je maar beter niet te luid afspeelt, maar als het als alibi voor de echte problemen wordt gebruikt kan bovenstaande situatie ontstaan waarin nog maar 10 opnames fatsoenlijk 'draaibaar' lijken te zijn.

Het akoestisch vakgebied manipuleert welbewust de variabele balans tussen het directe en het indirecte geluidsaandeel. Door het reduceren van de breedbandige nagalmtijd blijft er in feite precies voldoende van het indirecte geluidsaandeel manifest om constructief bij te dragen aan het totaalplaatje van de weergave. Op dit punt aangekomen doet ook het begrip vakmatige reflectiebeheersing heel even zijn intrede, omdat deze zich bezighoudt met het bewerken van het indirecte geluidsaandeel dat mag blijven in een situatie waarin reeds een beheerste nagalmtijd is gerealiseerd. Maar reflectiebeheersing - het doelbewust toepassen van diffusers -- is een onderwerp voor een afzonderlijk artikel, hoewel het naadloos op deze materie zou aansluiten.



Wat is Nagalmbeheersing dan precies?
Nagalmbeheersing omvat een pakket toegepaste maatregelen dat speciaal gemobiliseerd wordt om een van tevoren geplande breedbandige nagalmtijd T60 te kunnen realiseren. De keuze voor de diverse te nemen maatregelen is enerzijds het resultaat van de bewuste keuze van de eigenaar voor of tegen een bepaald soort materiaal. Het is anderzijds het resultaat van toegepaste berekeningen en metingen die, mits juist uitgevoerd, niet kunnen liegen. Er is dus een zeker spanningsveld aanwezig tussen datgene wat de eigenaar van een ruimte mogelijkerwijs kan willen en datgene wat akoestisch gezien het meest wenselijk is. In een normale rechthoekige ruimte heeft men in principe de beschikking over zes verschillende oppervlakken. Deze kunnen al of niet allemaal gebruikt worden voor nagalmbeheersing. Het uitgangspunt is dat het beter is om nagalmbeheersing te realiseren via zoveel mogelijk oppervlakken, indien mogelijk.

Nagalmbeheersing is strikt genomen een rechttoe-rechtaan aangelegenheid: er moet allereerst worden vastgesteld hoeveel overtollige akoestische energie er moet worden geneutraliseerd. Inmiddels weet u wel dat het dan om frequentie-afhankelijke geluidsenergie gaat die zich in elke mogelijk vorm kan manifesteren: teveel of juist te weinig laagabsorptie; een overgedempt of juist een ondergedempt middengebied of hoog - alleen of in combinatie met elkaar. Het kan allemaal.


naar boven



Absorptiewaarden / Absorptiecoëfficiënten /
Absorptiefactor
Alvorens nagalmbeheersing in de praktijk uit te gaan diepen in het derde deel is het nog belangrijk om één laatste begrip te introduceren waarmee de puzzelstukjes op hun plaats vallen: de absorptiewaarde, het absorptiecoëfficiënt of de absorptiefactor - drie termen die in principe voor ons doel dezelfde lading dekken.

Het is een meer dan 100 jaar oude eenheid, waarmee de gemiddelde of de frequentie-afhankelijke absorberende eigenschappen van een willekeurig materiaal worden omschreven en werd door de eerbiedwaardige meneer Sabine, een van de grote pioniers van de akoestiek, omschreven. Hij had deze eenheid nodig om een formule mee te kunnen uitwerken voor het nauwkeurig berekenen van de benodigde hoeveelheid absorptie ter beheersing van de nagalmtijd.

Deze formule heeft later de naam "formule van Sabine" gekregen, is in feite simpel en voorkomt zowel langdurige trial-and-error alsook ergernis. Het punt met de formule van Sabine is dat deze 1.000 tot 10.000 maal moet worden herhaald om uiteindelijk een praktisch bruikbaar totaalontwerp te maken van een ruimte. Vroeger, d.w.z. voor de komst van elektronische rekenhulpen, deed men dit werk op ruitjespapier. Tegenwoordig is het rekenwerk zelf gelukkig softwarematig gedekt.

Akoestici, zowel vroeger als nu, zijn in het bezit van eindeloze tabellen met absorptiewaarden die ze met pijn en moeite en doorgaans ook tegen betaling in bezit hebben gekregen. Van elk denkbaar materiaal, van elke denkbare constructie zijn wellicht al eens de absorptiewaarden vastgesteld en in tabelvorm gezet. Vanzelfsprekend komen er voortdurend nieuwe materialen bij en vallen er ook regelmatig materialen of constructies af die in onbruik raken. Het correct vaststellen van de absorptiewaarden van materialen en constructies is geen sinecure en vereist laboratoriumcondities.

Het absorptiecoëfficiënt van een willekeurig materiaal is een gemiddelde waarde die is samengesteld uit een opsomming van zes tot acht afzonderlijke numerieke waarden - de absorptiewaarden, gemeten op zes tot acht meetpunten of peilfrequenties. Niet geheel toevallig zijn dit ook de centrale frequenties van de zes of acht octaven die gebruikt worden om de frequentieband met grondtonen mee onder te verdelen. De absorptiewaarden worden gemeten op 125, 250, 500, 1000, 2000 en 4000 Hz en soms wordt de reeks aan elk uiteinde uitgebreid met 1 octaaf, resp. 63 en 8000 Hz. De absorptiewaarde of -factor zelf is op zijn beurt een getal dat het percentage absorptie op de peilfrequentie uitdrukt van geluidsenergie die op het materiaal inwerkt, zoals fig.13 tracht inzichtelijk te maken.

Wanneer de waarde 0,75 bij 500Hz genoemd wordt betekent dit dat 75% van de geluidsenergie die op het materiaal valt wordt geabsorbeerd en dus automatisch ook dat 25% van de geluidsenergie wordt weerkaatst door datzelfde materiaal. Zie ook fig.13. Een waarde van 0,05 bij 125Hz betekent dat van tonen met een frequentie van rond de 125Hz slechts 5% wordt geabsorbeerd terwijl 95% wordt gereflecteerd.



 











fig.12-- de formule van Sabine...
















fig.13--- de absorptiewaarde
in beeld...




Ofwel: het materiaal in kwestie absorbeert totaal geen laagfrequente geluidsenergie. Hieronder volgen een aantal voorbeelden van de absorptiewaarden van nogal uiteenlopende materialen, met daarna een bespreking van de eigenschappen bij praktisch gebruik.

Uit de eenvoudige grafieken van frequentie-afhankelijke absorptiewaarden (rechter kolom) is toch wel het een en ander op te maken:

  • fig.14 toont de absorptiewaarden van lavasteen als bouwmateriaal. Krachtige midhoog- en hoogabsorptie, maar onder 200Hz is er heel weinig bruikbare absorptie van te verwachten. In tegenstelling tot beton of baksteen absorbeert lavasteen zeer veel hoog - wel 75% tegenover 7% voor beton!
  • fig.15 is een speciaal akoestisch plafond- en wandpaneel dat, indien gemonteerd voor een gesloten holle ruimte van 20cm diep, specifiek absorptie van het lage middengebied oplevert en ook in het middengebied aanzienlijke demping biedt, maar tegelijk het midhoog grotendeels en het hoog helemaal ontziet. Ook het echte laag onder 100Hz wordt niet echt krachtig aangepakt.
  • fig.16 is een licht wollen tapijt van 1200gr/m2 en 2,5mm poolhoogte, dat los op een betonnen vloer is gelegd. Het zwaartepunt van de absorptie ligt met 50% in het middengebied en diezelfde waarde wordt ook in het hoog gehaald. Zwaardere tapijten zullen hetzelfde soort absorptiepatroon boven 1kHz laten zien, alleen krachtiger. Er is nooit enige laagabsorptie van betekenis, om het even welk tapijt er ook gekozen zou worden.
  • fig.17 is een licht veloursgordijn (475gr/m2) dat 50% geplooid wordt opgehangen. Ook hier absorptie in met name het middengebied en ook in het hoog, maar afwezigheid van absorptie van betekenis onder 250Hz.
  • fig.18 is een typische curve voor een 52cm tube trap of een soortgelijk breedbandig absorberend element met holle ruimte.
  • fig.19 is een hoogrendement Helmholzconstructie, afstemfrequentie 70Hz. Alle absorptie - 2,8x zoveel als het maximale dat je op grond van de oppervlaktemaat kunt verwachten - is geconcentreerd in een zeer smalbandig gebied dat krachtig wordt afgevangen.

    In het algemeen is het zo dat verreweg de meeste huis-tuin-en-keukenmaterialen niet of nauwelijks laagabsorptie bieden, enige middenabsorptie en nogal veel hoogabsorptie. In praktisch elke ruimte is behoefte aan precies het tegendeel: minder echte hoogabsorptie, wat meer middenabsorptie en veel meer aanvullende laagabsorptie. Toepassing van het soort materialen als uit fig. 6 t/m 9 kan snel tot overdemping van het hoog leiden, waardoor het toch al sterke middengebied des te sterker en schraler naar voren komt. Vervolgens krijgt het hoog de schuld: dat is te scherp, terwijl het echte probleem eerder het hoge middengebied is.

    Behalve in de grafiekvorm zoals in de kolom rechts kunnen de absorptiewaarden ook aangegeven worden zoals hieronder (het betreft de waarden van de lavasteen van fig.14):
  • 125Hz - 0,1
  • 250Hz - 0,22
  • 500Hz - 0,52
  • 1kHz - 0,49
  • 2kHz - 0,5
  • 4kHz - 0,73


    baffles - verticaal hangende absorptiepanelen...

 


fig.14 -- lavasteen




fig.15 -- akoestisch plafond




fig.16 -- wollen tapijt




fig.17 -- velours gordijn




fig.18 -- 52cm tube trap




fig.19 -- Helmholz absorber



Mogelijk heeft u gezien dat de Helmholzabsorber uit fig.19 een piekabsorptiewaarde heeft van 280% op 70Hz, terwijl logischerwijs 100% absorptie als maximum verwacht zou worden. De reden voor dit verschijnsel ligt in de relatie tussen absorptie en oppervlak. De baffles uit bovenstaande foto hebben samen een oppervlak dat 1,5x zo groot is als het feitelijke oppervlak dat zij aan het plafond innemen. De absorptiewaarde van zo'n oppervlak kan daardoor gemakkelijk 150% zijn. Het kan ook meer worden, afhankelijk van het aantal baffles per m2. Van dit gegeven kan dankbaar gebruik worden gemaakt indien de overige oppervlakken zich om wat voor reden ook niet lenen voor akoestische behandeling en alleen het plafond ter beschikking staat.

De absorptiewaarden worden gebruikt in de formule van Sabine. In diezelfde formule wordt niet alleen het absorptiecoëfficiënt van het materiaal opgenomen, maar ook de hoeveelheid oppervlak waarop dit wordt aangebracht (zie ook fig.12). Vanzelfsprekend geldt dat hoe meer oppervlak er wordt behandeld, hoe krachtiger de absorptiewaarden van het specifieke materiaal tot gelding kunnen komen in een ruimte. Omgekeerd geldt natuurlijk ook dat voor een probleem met een veel te lange nagalmtijd in het middengebied meer nodig is dan een kleedje alleen; een complete wand met het onder 2. genoemde produkt kan dat weer wel en misschien zelfs teveel! In de formule van Sabine wordt in feite berekend hoeveel oppervlak van een zeker materiaal nodig is om de nagalmtijd in een bepaald frequentiegebied zodanig terug te dringen dat deze meer correcte waarden krijgt.
En zo komt dan hieronder uiteindelijk de echte praktijk van nagalmbeheersing aan bod, die zich richt op het realiseren van een target - een ideale nagalmtijd voor een specifieke ruimte.



De Target voor de Nagalmtijd
De praktijk van nagalmbeheersing richt zich op het realiseren van een target - een ideale nagalmtijd voor de specifieke ruimte die men wil "dressen" of akoestisch aankleden. In deel 1 en 2 is aangegeven dat het gebruiksdoel van een ruimte deels bepalend is voor de target van de ideale nagalmtijd. Voor een HT-ruimte ligt deze nagalmtijd ongeveer 0,2 seconden onder die welke voor een tweekanaals luisterruimte ideaal is. Het betreft hier uiteraard ruimtes in de huiselijke sfeer en niet een concertzaal waar nogal andere normen kunnen gelden. Nu lijkt 0,2 seconden verschil helemaal niets, maar het gaat hier toch om een reductie van om en nabij de 50%, aangezien 0,5 seconden een voor stereo luisterruimtes een normale maximumwaarde is, terwijl 0,25-0,3 seconden voor HT de norm is in het middengebied en het hoog. De waarden voor het lage middengebied en het laag mogen eventueel oplopen naar 0,8 voor stereo en 0,6 voor HT.


fig.20--- de target voor de voorbeeldruimte van 75 kuub

Behalve het gebruiksdoel is ook gesteld dat de inhoud van de ruimte zelf bepalend is voor wat als ideale nagalmtijd in een target kan worden omschreven. Bij een grote ruimte (> 150 kuub) zal de target een procent of 30 hoger kunnen liggen dan in een gemiddelde ruimte (tot 100 kuub), terwijl in een kleine ruimte (50 kuub of kleiner) de nagalmtijd navenant korter mag zijn.


naar boven



Op Weg naar de Target.
Voor het realiseren van de target voor de nagalmtijd is het nodig om allereerst te achterhalen hoe de huidige situatie i.v.m. de nagalmtijd er uitziet. Dat kan aan de hand van daadwerkelijke nagalmmetingen op locatie gebeuren, maar het kan ook aan de hand van een serie berekeningen op basis van de formule van Sabine.
In beide gevallen is het doel en resultaat in principe hetzelfde: het zo accuraat mogelijk weergeven van de uitgan
gssituatie. Men is sowieso volledig aangewezen op berekeningen indien de ruimte in kwestie nog niet bestaat - meten heeft dan hooguit zin ter controle achteraf.

Wanneer de ruimte al wel bestaat is het altijd zinvol om voor het dressen zowel echte nagalmmetingen te verrichten als om middels berekeningen te bekijken hoe de nagalmtijd zal zijn. Deze twee bronnen vullen elkaar goed aan.

Het allerbelangrijkste is een goede startsituatie.
Immers, het is vanuit die gemeten en/of gesimuleerde toestand dat de ruimte verder gaat worden aangekleed. Als de startsituatie foutief wordt ingeschat of berekend, bijvoorbeeld omdat de absorptiewaarden van de in de ruimte toegepaste oppervlakken en constructies niet bekend of onjuist zijn, dan zal de uitgangssituatie zonder enige twijfel ook behoorlijk kunnen afwijken van de werkelijkheid. Om deze reden zijn nagalmmetingen nuttig ter ondersteuning van de berekeningen.
De grafiek hieronder laat de voorbeeldruimte zien met de afmetingen 600x450x280cm, welke volledig is opgebouwd uit beton (vloer en plafond) en baksteen (de wanden). De wanden zijn afgewerkt met kalkpleister en daarna geschilderd met latex muurverf. Er is één toegangsdeur en er zijn verder geen ramen.


fig.21--- bereken uw nagalmtijd...




fig.22a --- nagalmtijd kale voorbeeldruimte (beton en steen)

De afwezigheid van natuurlijke absorptie, van laag tot hoog, is zichtbaar. Het verkorten van de nagalmtijd met het stijgen van de frequentie is gebruikelijk. Omdat de grafiek bovenaan nog is begrensd op 9 seconden lijkt de target onderin nog erg ver weg.

Wanneer deze zelfde ruimte zou zijn uitgevoerd met een zwevende houten vloer boven een kruipruimte en een houten plafondconstructie op draagbalken, ontstaat een totaal andere startsituatie die hieronder in fig. 22b is weergegeven.


fig.22b---nagalmtijd kale voorbeeldruimte ('zwevend hout' en steen)

Niet alleen is de grafiek nu aan de bovenzijde nog slechts begrensd op 1,5 i.p.v. 9 seconden, maar hier wordt ook ineens de impact van selectieve absorptie zichtbaar. Beide ruimtes hebben exact dezelfde afmetingen, dus de natuurlijke absorptie van de basisconstructie van de ruimte is zeer bepalend voor de nagalmtijd waarmee de ontwerper begint te werken. Het spreekt vanzelf dat de te volgen strategie voor het realiseren van de juiste nagalmtijd in beide ruimtes volkomen verschillend zal zijn.

Vanuit genoemde startsituatie zal de ruimte verder worden aangekleed met inrichtingsstukken en akoestische hulpmiddelen. Bijna altijd is het zo dat de absorptiewaarden van de materialen voor aankleding door de fabrikant van het product worden verstrekt, zeer zeker indien het om speciale akoestische producten gaat en dat zal doorgaans het geval zijn. Dat betekent dat de absorptiewaarden van deze producten correct zijn en dat, indien de startsituatie ook correct is, de uiteindelijke eindsituatie met de bedoelde nagalmtijd - de target - ook correct zal worden gerealiseerd. De formule van Sabine klopt, maar de invulling ervan biedt uiteraard veel ruimte om de mist in te gaan omdat er veel factoren tegelijkertijd in samenkomen. Daarom moet er sowieso rekening worden gehouden met toleranties en op basis van ervaring met de materie ontwikkelt eenieder die zich hiermee bezighoudt een manier om hier correct mee om te gaan. Het is in principe beter om eerder wat te weinig dan teveel absorptie aan te brengen - om de berekeningen dus aan de veilige kant te houden, zodat de uiteindelijke werkelijke nagalmtijd eerder iets langer dan korter is als de berekende target. Het is achteraf gemakkelijker om absorptie toe te voegen dan om het weg te nemen.
De berekening en/of de meting van de nagalmtijd in een gegeven ruimte is dus het startpunt voor nagalmbeheersing, omdat duidelijk wordt waar de ruimte wel en waar deze niet een bruikbare mate van natuurlijke absorptie inbrengt. De twee kale voorbeeldruimtes met gelijke afmetingen en totaal verschillende constructie-eigenschappen (fig. 22a & b) hebben daardoor ook een totaal verschillende nagalmtijd, zelfs indien er geen uiterlijke waarneembare verschillen zijn. De wanden, de vloer en het plafond kunnen immers voor het zicht precies hetzelfde afgewerkt zijn. Onder deze afwerking bevindt zich de constructie van de ruimte zelf en die heeft een hele dikke vinger in de pap voor wat betreft de natuurlijke absorptie van een ruimte of diens afwezigheid!

Het komt ook wel voor dat de situatie uit fig. 22b ertoe leidt dat de constructie veel te veel laagfrequente energie afvangt waardoor er een "suckout" ontstaat - een veel te korte nagalmtijd in een vrij smal frequentiegebied. Als dat het geval is wordt het probleem erg gecompliceerd of zelfs onoverkomelijk, omdat het niet mogelijk is om verloren energie weer terug te halen. De enige oplossing is om de constructie zodanig aan te passen dat voorkomen wordt dat teveel energie verloren gaat en dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.


fig.22c---nagalmtijd kale testruimte met bijna TEVEEL natuurlijke laagabsorptie

Op zichzelf is deze startsituatie nog niet eens zo slecht, aangezien hier ook het echte laag onder 100Hz door de constructie onder controle wordt gehouden en dat is dan weer een enorm verschil met fig. 3a, waar door totale afwezigheid van natuurlijke laagabsorptie de nagalmtijd vele malen te lang is en dus behoorlijk zware middelen gaat vereisen om in orde te komen. Middelen die het equivalent aan energie kunnen absorberen dat een houten vloer plus plafond tezamen van nature opnemen. Dat gaat verder dan een kleedje op de vloer en een tube trap in de hoek.



Voorkeur, Stijl, Budget.
Een ruimte geeft de ontwerper doorgaans alle ruimte om de nagalmtijd op wel 10 verschillende manieren prima in orde te krijgen. Elk van die 10 manieren levert uiteindelijk een goede eindsituatie op: een nagalmtijd die binnen de gestelde target valt. De tien wegen die naar Rome leiden leveren akoestisch gezien dezelfde eindsituatie op. Het verschil tussen deze wegen zit 'm vooral in de eigenaar van de ruimte, die zijn voorkeur voor een bepaalde stijl van aankleding kenbaar maakt aan de ontwerper. Hij kan een voorkeur hebben voor een stijlvolle aankleding met veel edelhouten elementen, maar hij kan evengoed een voorkeur hebben voor warme stoffering of voor budgetoplossingen. Hij kan voornemens zijn om zelf aan de slag te gaan en zoveel mogelijk zelf te bouwen en te implementeren, maar hij kan ook gebruik maken van kant-en-klare producten of van diensten die op afspraak door een aannemer geleverd worden. Uiteindelijk is het beschikbare budget de werkelijke bepalende factor, omdat de kosten van de tien wegen heel sterk uiteen kunnen lopen. Akoestisch verantwoorde wandaankleding kan minder dan 7 euro per m2 kosten, maar het kan ook 170 euro per m2 kosten, terwijl beide keuzes toch gewoon tot dezelfde nagalmtijd leiden. Het oog wil soms ook veel.
Een ontwerper van thuisakoestiek behoort mijns inziens de wens van de klant voorop te stellen. Het maakt hem immers niet uit of iemand voor veel of voor weinig geld zijn ruimte wil verbouwen; voor de ontwerper telt in principe enkel de eindsituatie die akoestisch correct en overeenkomstig de gestelde target behoort te zijn. Dat klinkt simpeler dan het is. Weliswaar zijn er heel veel mogelijkheden, maar elke keuze voor één van die mogelijkheden zal 90 andere daarmee onbruikbaar maken. Je kunt bijvoorbeeld niet kiezen voor hoogpolig tapijt en tegelijkertijd ook voor textielwanden, omdat het zeer waarschijnlijk zal resulteren in een overgedempt hoog en hoogmidden. De belangrijkste keuzes worden zodoende al meteen aan de basis gemaakt.

De aspecten voorkeur, stijl en budget krijgen vorm in de diverse foto-albums over akoestische thema's. Alle albums, maar vooral het album "ruimtes" laat exponenten zien van het bovenstaande. Klik
HIER voor de albums.


naar boven



De Basis is de Vloer.
Voor mij als ontwerper van akoestische infrastructuren is het belangrijkste uitgangspunt het idee dat de eigenaar heeft van zijn eigen, toekomstige ruimte. "Als akoestiek niet zou bestaan, hoe zou je ruimte dan eruit zien?" is de vraag die duidelijk maakt wat ik bedoel. Er volgen dan meestal een aantal ideeën die in het hoofd van de eigenaar zitten en die met name iets zeggen over het uiterlijk van de voltooide ruimte en natuurlijk over zijn budget daarvoor.
In de praktijk is het soort vloer dat in de ruimte zal worden aangebracht meestal welbewust door de eigenaar overdacht. De keuze voor een bepaald type vloer is fundamenteel en bepalend voor de rest van de akoestische aankleding. Omdat hoogpolig tapijt al zoveel hoog- en midhoogabsorptie introduceert dat de target voor frequenties boven 2,5 tot 3kHz daarmee al gerealiseerd is, zullen alle verdere maatregelen voor de wanden en het plafond gericht moeten zijn op het zoveel mogelijk ontzien van datzelfde midhoog en hoog om overdemping te voorkomen en het middel erger te maken dan de kwaal. In fig. 23a hieronder is in de voorbeeldruimte van fig.22a een zwaar (4kg/m2) wollen laagpolig (5mm) en kamerbreed tapijt gelegd op een dikke (8mm) rubber onderlaag. Het effect is enorm!

 

fig.23a---nagalmtijd voorbeeldruimte met zwaar kamerbreed tapijt

Hoewel het midhoog en hoog boven 3kHz aardig in orde is, net als in feite het hele middengebied vanaf 500Hz, is er in heel het gebied daaronder niets gebeurd. De ruimte was niet geschikt om in te luisteren, maar is dat nu nog altijd niet. De grafiek is aan de bovenkant nog altijd begrensd op 8,5 seconden...

Als puntje bij paaltje komt is tapijt op de vloer eigenlijk een beperkende factor voor de ontwerper, omdat die keuze meteen de toepassing van ± 60% van de beschikbare akoestische materialen onmogelijk maakt voor toepassing op de resterende wanden, vanwege het gevaar van overdemping van hoog en hoogmidden. Omgekeerd is het dan ook zo dat de keuze voor een akoestisch harde vloer, zoals hout, laminaat, vinyl/marmoleum, kurk, linoleum, natuursteen, siergrind en nog wat andere varianten de ontwerper meer vrijheid geeft bij de aankleding van de resterende wanden en het plafond. Geen van deze harde vloeren absorbeert, net als de ruwe betonvloer, veel meer dan 10% en reflecteert dus 90% van het opvallende geluid. Absorptie van midhoog en hoog zal nu ook via de wanden en/of het plafond moeten plaatsvinden omdat het nu niet, in tegenstelling tot tapijt, via de vloer zelf al grotendeels heeft plaatsgevonden. In fig. 23b hieronder is in de kale testruimte van fig. 22a een laminaatvloer aangebracht. Nog altijd is de grafiek begrensd op 9 seconden en nog altijd is de nagalmtijd over de gehele linie veel te lang, maar alle wanden plus het plafond moeten nog behandeld worden en daarmee kan de eigenaar nu alle kanten op. Deze nagalmtijd is ongeveer gelijk aan die van de andere harde vloeren, hierboven opgesomd.


fig.23b---nagalmtijd voorbeeldruimte met laminaatvloer

De eerste echt concrete vraag van de ontwerper van een ruimte voor muziekweergave betreft de aankleding van de vloer, en wel zoals die door de klant bij voorkeur wordt gezien, gekoppeld aan de stijl van aankleding die in de ruimte moet worden gerealiseerd. In het algemeen is het heersende denkbeeld dat harde vloeren verkeerd zouden zijn voor de akoestiek en dat tapijt goed is, maar de realiteit staat hier dus vaak haaks op: voor de ontwerper legt de keuze voor een harde akoestische vloer minder beperkingen op aan de overige materialen die in de ruimte kunnen worden gebruikt. De aankleding van de vloer is daarom de fundamentele parameter in het beheersen van de nagalmtijd en de keuze is daarbij meestal geheel en al aan de eigenaar zelf. Nu is het in de praktijk bijna altijd zo dat bij toepassing van een harde vloer een groot kleed binnen de luisterdriehoek zal worden gelegd voor het locaal beheersen van vloerreflecties.



Vaste Elementen.
Behalve de uiteindelijke aankleding van de vloer - een laminaatvloer in onze voorbeeldruimte - zullen in de uitgangssituatie voor het berekenen van de nagalmtijd verder nog alle vaste elementen opgenomen moeten zijn. Hieronder versta ik alle meubels en inrichtingsstukken die door de eigenaar voorzien zijn in de voltooide ruimte. Deze oefenen soms een behoorlijke impact uit op de nagalmtijd en ze spelen als zodanig een actieve rol in het beheersen van de nagalmtijd. Het is niet verstandig om de vaste elementen pas in de berekeningen op te voeren als de optimalisatie klaar is, omdat de impact ervan zo groot kan zijn dat alle berekeningen moeten worden herzien. Net als de vloer dienen ook de vaste elementen zo vroeg mogelijk meegenomen te worden in het project, zodat ze niet aan het eind voor onverwachte verrassingen kunnen zorgen.
Vaste elementen zijn ook zaken als aanwezige ramen en deuren die soms wel, soms niet een merkbare invloed op de nagalmtijd hebben. Een toegangsdeur kan als een plaatabsorber werken en één enkele deur zal in een grote ruimte relatief weinig invloed uitoefenen op het totaalplaatje, maar twee deuren plus een fors raamoppervlak samen zullen ontegenzeglijk een zodanig grote hoeveelheid laagfrequente geluidsenergie omzetten, dat hun aan- of afwezigheid duidelijk in de nagalmtijd tot uitdrukking komt. Er was een klant die twee flipperkasten in zijn relatief kleine ruimte wilde plaatsen als decoratie. Nadere beschouwing van de absoberende eigenschappen van zoiets als een flipperkast bracht aan het licht dat twee van zulke forse inrichtingsstukken in een kleine ruimte behoorlijk veel laag zouden afvangen waardoor ze ongevraagd een actieve rol in de nagalmbeheersing gingen spelen, waar dankbaar gebruik van kon worden gemaakt.
Een ander voorbeeld van vaste elementen zijn mediaracks. Hoe en waar worden de cd's, dvd's en lp's geplaatst in de ruimte? Als ontwerper is het nodig om een idee te hebben hierover, omdat vroeg of laat in het ontwerp een zekere ruimte voor deze media zal worden opgeëist. Ook hier is het idee van de eigenaar doorslaggevend.



De Feitelijke Beheersing van de Nagalmtijd.
Tot nu toe is er nog geen enkel akoestisch hulpmiddel opgevoerd; de constructie van de ruimte is, samen met de aanwezige ramen en deuren, verantwoordelijk voor een bepaalde breedbandige en frequentie-afhankelijke nagalmtijd. Tegelijkertijd is de fundamentele keuze voor vloeraankleding gemaakt en zijn de vaste elementen die hoe dan ook een plaats moeten krijgen in de ruimte meegenomen in de berekeningen, resulterend in wat eigenlijk de echte uitgangssituatie is voor de heersende nagalmtijd. Deze situatie dicteert precies wat er aan specifieke akoestische ondersteuning nodig is om de target te kunnen realiseren.

In de voorbeeldruimte in aanbouw waarin inmiddels een laminaatvloer ligt (fig.23b) zijn de volgende vaste elementen ondergebracht:

  • Vloerkleed, 300x200cm, wol, poolhoogte 19mm met ruglaag;
  • Drie fauteuils of een driezitsbank, gestoffeerd;
  • Twee mediaracks 200x100x35cm;
  • Audiorack, hardware, luidsprekers.

Dat zal bij benadering leiden tot de nagalmtijd in 24 hieronder.

 

fig.24---nagalmtijd voorbeeldruimte met vaste elementen: de feitelijke startsituatie

De impact van de vaste elementen maakt dat de grafiek nu nog maar is begrensd op 4 seconden. Tegelijkertijd is de target over de gehele linie een stuk dichterbij gekomen. Het terugbrengen van de nagalmtijd van 9 naar 4 seconden door de introductie van de vaste elementen lijkt een fluitje van een cent. Maar naarmate de nagalmtijd korter wordt blijkt het steeds moeilijker te zijn om daar nog wat vanaf te snoepen. In het begin gaan de seconden er snel af, maar dat gaat steeds moeilijker en kritischer worden. Nog een goede reden om de vaste elementen al in een zo vroeg mogelijk stadium in de berekeningen mee te nemen. Ze horen immers bij de standaarduitrusting van de ruimte.

Beheersing van de nagalmtijd vereist ook dat specifieke akoestische hulpmiddelen op de juiste plek worden ingezet. Voor de formule van Sabine maakt het niet uit waar men basstrap-oppervlak inzet, maar voor de praktijk maakt het alles uit! Inzet van basstraps geschiedt in principe vanuit de hoeken en daarvoor zijn goede natuurkundige redenen op te voeren. Het is strikt genomen wel mogelijk om ook elders basstraps in te zetten, maar hun rendement zal zonder meer kleiner zijn dan inzet van precies hetzelfde element in een echte hoek van de ruimte. Berekeningsresultaten alleen zijn daarom niet voldoende garantie dat een target ook echt gehaald wordt.

Een ander voorbeeld van plaatsgebonden inzet speelt bij specifieke hoogabsorptie. Soms is het nuttig om die absorptie te concentreren in een beperkt gebied in de ruimte, bijvoorbeeld achter of opzij van de luidsprekers of op de vloer voor de luidsprekers, zoals in onze voorbeeldruimte met het kleed op de laminaatvloer. Soms ook is dat juist niet wenselijk of mogelijk en is het beter om de benodigde hoogabsorptie zoveel mogelijk te verdelen over de gehele ruimte, bijvoorbeeld in de vorm van modules verspreid over het plafond.
Nog een factor die bepalend kan zijn voor de locatie van bepaalde hulpmiddelen is het gegeven of er wel of geen speciale maatregelen voor reflectiebeheersing zullen worden genomen in de ruimte.

Reflectiebeheersing is het reguleren van het indirecte geluid dat na beheersing van de nagalmtijd mag blijven in de ruimte, maar dat door nadere behandeling wordt geoptimaliseerd met behulp van diffusers.

De locatie van diffusers heeft eigenlijk altijd voorrang boven de locatie van absorberende middelen ten behoeve van de nagalmtijd. De vraag of reflectiebeheersing wel of niet moeten worden meegenomen zal al in een vroeg stadium voorgelegd zijn aan de eigenaar van de ruimte, evenals de consequenties ervan (veel extra werk als je het zelf doet, maar tegelijk enorm lonend). Het ligt er een beetje aan hoe hoog de audiofiele lat wordt gelegd door de eigenaar. Verder is het mogelijk om een minimale of een maximale diffuserconfiguratie toe te passen, of iets er tussenin; het is niet persé nodig om de hele ruimte ermee te behangen om een goed resultaat te behalen. In de voorbeeldruimte zal geen diffusie worden aangebracht.
U zult nu begrijpen waarom het zo belangrijk is om nagalmbeheersing te starten vanuit een uitgangssituatie die in het digitale domein de fysieke realiteit zo goed mogelijk nabootst. De absorptiewaarden van de toegepaste materialen en hulpmiddelen zijn immers volledig verantwoordelijk voor de juistheid van de startsituatie. Net zoals akoestici vroeger moeten die van vandaag ook naarstig op zoek naar de waarden van de meest vreemde materialen en constructies en soms veel geld neertellen voor tabellen die ze onmogelijk op een andere manier kunnen bekomen. De sfeer van akoestische mystiek dankt zijn ontstaan vooral aan de absorptiewaarden...


naar boven



 

Beheerste Nagalmtijd in de Voorbeeldruimte.
Door de ruimte geleidelijk en doordacht aan te kleden kan aan het eind de vooraf gewenste nagalmtijd of target worden gerealiseerd. Akoestisch aankleden is vooral een kwestie van "u vraagt, wij draaien", uitgaande van een accurate startsituatie. Bij de verdere aankleding van de voorbeeldruimte met vaste elementen (fig. 24) ben ik zo vrij geweest om mijn eigen materiaalkeuzes te maken. Daarbij is allereerst getracht om middels bass-management de nagalmtijd van het laag en laagmidden in orde te krijgen. Het resultaat daarvan is zichtbaar in fig. 25a hieronder.


fig.25a---nagalmtijd testruimte met bass-management (afgestemde basstraps)

De volgende hulpmiddelen zijn in de praktijk ingezet:

  • In alle vier hoeken van de ruimte zijn afgestemde kamerhoge cornertraps aangebracht (afstemmingen op 80, 100 en 125Hz).

  • Over de volle breedte van de achterwand is, hangend aan het plafond, de diepste basstrap aangebracht, afgestemd op 40 en 50Hz.

  • Er tegenover, achter en boven de luidsprekers dus, hangt een andere diepe basstrap, afgestemd op 63Hz.

  • Links en rechts tegen de zijwanden is aan het plafond een strook van 60cm breed als paneelabsorber aangebracht met een diepte onder het plafond van 22cm. De onderzijde is tevens een krachtig absorberend paneel voor midden en hoog.

Dit zijn allen typische locatie-gebonden hulpmiddelen, die maximaal presteren op specifieke plaatsen. Hieronder heb ik gepoogd een schematische plattegrond te maken van de huidige voorbeeldruimte met het toegevoegde bass-management.


fig.25b---plattegrond voorbeeldruimte met toegevoegd bass-management

Om het frequentiegebied boven 400Hz in het gareel te krijgen (fig. 25a) staan alle wanden ter beschikking, op de hoekruimte na natuurlijk. Tevens staat het centrale deel van het plafond nog ter beschikking voor nadere behandeling. Indien reflectiebeheersing deel had uitgemaakt van de doelstelling voor de ruimte zou een deel van het plafond worden voorzien van diffusers. Ook zouden er op de zijwanden, rondom de eerste reflectiepunten, diffusermodules worden aangebracht en tenslotte zou de kans groot zijn dat ook achter de luisterplaats diffusie wordt aangebracht.

Fig. 25c hieronder laat zien wat de verdere aankleding van de wanden en het plafond met de nagalmtijd doet. Deze resterende aankleding bestaat uit de volgende elementen:

  • De afwerking van het plafond is een wandtextiel (Texaa), dat tevens geschikt gemaakt kan worden voor plafondafwerking en levert krachtige midden- en hoogabsorptie. Dit plafond vormt een goede tegenhanger voor de akoestisch harde vloer, maar er zijn nog wel 20 andere plafondbehandelingen die hetzelfde resultaat zouden kunnen realiseren.
  • Rondom langs de randen van de ruimte loopt een 15cm hoge en 20cm diepe plint voor het inbouwen van elektra en andere voorzieningen, die verder geen actieve akoestische rol speelt;
  • Het nog vrijblijvende deel van de beide zijwanden is geheel afgewerkt met edelhouten voorzetpanelen, geplaatst voor een minimale holle ruimte (3-7cm). Deze panelen hebben een speciale boring die is gekozen op grond van de benodigde absorptiewaarden. De panelen vormen samen met de (zelfbouw) mediaracks en de mogelijke zijwanddiffusers één integrale en visueel strakke zijwand.

Op dit punt aangekomen zult u geen moeite hebben met het herkennen van een correcte nagalmtijd, althans niet in grafische vorm. Die van fig. 25c is dat in elk geval!


fig.25c--- nagalmtijd in geoptimaliseerde testruimte

Het ontwerpen van een goede akoestische infrastructuur (correcte nagalmtijd) is in veel opzichten analoog aan het werk van een landschapsarchitect. De naam SoundScapeS is niet toevallig gekozen, want elke ruimte wordt gekenmerkt door een unieke akoestische infrastructuur of "soundscape" die het audiofiele doel van de eigenaar doorgaans dwarsboomt, maar die gelukkig flexibel genoeg is om omgebogen te worden tot een infrastructuur die ondersteunt en bijdraagt.
Hopelijk is met dit stevige artikel een van de doorslaggevende gereedschappen, dat van nagalmbeheersing, minder wazig en onbemind gemaakt. Een zichzelf respecterend audiofiel kan in 2006 eigenlijk niet meer om een kennismaking met het verschijnsel nagalmtijd heen.



31 januari 2006.
Toine Dingemans.


naar boven