Leesvoer

Fysieke Opstelling
van Luidsprekers en Luisterstoel

ThingMan, 1998-2005

Het fundamentele probleem in luisterruimtes is maar al te vaak voor een groot deel terug te voeren op een gebrekkige of ongunstige luidsprekeropstelling. Het vinden van de juiste plaats voor de luidsprekers is de allerbelangrijkste voorwaarde voor een goed geluid in de luisterruimte.

Luidsprekerplaatsing heeft invloed op de klankbalans, op de kwantiteit en kwaliteit van de bas, op de fysieke breedte en diepte van het geluidsbeeld, op de helderheid en verstaanbaarheid van het middengebied, op de articulatie en op de instrumentenplaatsing en focusering ervan.

Dit is gemakkelijk hoorbaar te maken door flinke veranderingen (decimeters) aan te brengen in de huidige positionering. Op een gegeven moment zal, als gevolg van steeds kleiner wordende variaties in de opstelling (centimeters), een nieuwe muzikale correctheid en naadloze harmonische integratie van het geluid hoorbaar kunnen worden, en dit neemt verder toe naarmate de optimale plaatsing nadert. Het is alsof er, vanaf een gegeven luisterpositie, een punt in de kamer is waar het geluid van de twee luidsprekers 'samenvalt', samenvloeit en zowel harmonisch als klankmatig 'klopt'; op deze plaats is het alsof de muzikale presentatie meer inhoudt dan de som der delen. Dit is de "sweet spot" waarnaar we op zoek zijn….




Een tweede artikel over opstelling is
HIER te vinden


Het moet echter duidelijk zijn dat die optimale opstelling een samenspel is van twee variabelen:

de plaats van de luidsprekers;
de plaats van de luisterstoel.

Verschuiving van beide posities afzonderlijk kan al tot aanzienlijke verschillen leiden, en de moeilijkheid van het vinden van een juiste opstelling is dan ook vooral gelegen in het compromis tussen beide variabelen.

Als u uiteindelijk deze optimale plaats voor luidsprekers en luisterpositie vindt, schrijf dan de exacte coördinaten in drie dimensies ervan op voordat u verder experimenteert met de opstelling! Het kan naderhand moeilijk — frustrerend moeilijk — zijn om de oude plaats weer terug te vinden: het gaat daarrbij immers om centimeters en niet om decimeters!
Om halve dB's en niet om 10dB tegelijk....

Als u er in slaagt de optimale plaats of "sweet spot" te lokaliseren komt het systeem meer tot leven. Het mooiste is wel dat het verder geen geld kost, hoewel het best een paar maanden kan duren voordat deze plaats gevonden wordt, wanneer de hele ruimte nog moet worden verkend.

Meettechnisch komt het verschil tussen een gunstige en een ongunstige positie zichtbaar tot uiting in de respons van frequenties onder 350Hz. Zo'n meting zal echter
nooit de ruimtelijke aspecten van het geluidsbeeld tonen. Als referentie is het echter zinvol om het verschil eens in een curve te zien.

Onderstaande curve toont een niet heel gunstige frequentiemeting. De enorme piek op 43Hz, onmiddellijk gevolgd door het enorme dal op 57Hz is funest voor de laagweergave en brengt op zijn beurt heel het bovenliggende frequentiegebied uit gehoormatig uit balans. De bas is laag, maar allesoverheersend in zijn uitwerking:










Na optimalisatie van de opstelling en het aanbrengen van akoestische ondersteuning laat het zich meten zoals hieronder weergegeven:

 

Een spectrumbrede weergave binnen 15dB is niet bepaald slecht te noemen, omdat sterkteverschillen van 20 tot 30dB in onbehandelde ruimtes simpelweg niet uitzonderlijk zijn. De dip op 100Hz is beslist zorgelijk, maar de gehoormatige consequenties van dit alles zijn belangrijker dan bovenstaande meetwaarden, die slechts een indicatie geven omtrent het relatieve succes van de opstellingsexperimenten op de relatieve sterkteverschillen. Niettemin ziet het verschil tussen een gunstige en een ongunstige luistersituatie in het laag er ongeveer wel uit zoals hierboven meettechnisch weergegeven.

Alvorens tot specifieke aanbevelingen over te gaan is het zinvol om eerst de
vijf fundamentele aspecten van luidsprekeropstelling te bezien welke verantwoordelijk zijn voor de wijze waarop de muziekweergave wordt gepresenteerd en waarop deze kan worden aangepast aan de omstandigheden. Daarna volgt nog een detailbespreking van ieder van deze aspecten. Hoewel deze aspecten op alle types van luidsprekers slaan — dynamische (conus)luidsprekers; dipolaire luidsprekers (schermweergevers); bipolaire luidsprekers, electrostatische luidsprekers en hybride verschijningsvormen van bovenstaande types — worden in de navolgende uiteenzettingen specifiek de dynamische luidsprekers bedoeld.
De opstellingscriteria voor bipolaire schermweergevers en electrostaten zijn op sommige punten anders dan die voor dynamische, al dan niet
dipolair opgebouwde weergevers. Deze specifieke luidsprekertypen worden daarom apart behandeld, voor wat betreft hun afwijkende opstellingscriteria. Voor het overige gelden dus, zoals gezegd, dezelfde regels en voorschriften i.v.m. opstelling en frequentie-afhankelijk weergavegedrag als voor dynamische luidsprekers. Wanneer u aanvullende informatie over ruimtes specifiek voor dipolaire of dynamische luidsprekers kunt u de
projectpagina op deze site bezoeken.
Klik
hier voor de projectpagina.

  1. De ruimtelijke verhouding die tussen luidsprekers en luisteraar bestaat is van doorslaggevend belang. Luidsprekers en luisteraar behoren een driehoek te vormen (niet per definitie gelijkzijdig). Zonder deze fundamentele opstelling zult u nooit een correct ruimtelijk geluidsbeeld, noch een correcte plaatsing kunnen horen.
  2. De nabijheid van wanden beïnvloedt de kwantiteit en kwaliteit van de bas. Hoe dichter luidsprekers bij wanden worden opgesteld, hoe luider de bas zal worden.
  3. De posities van luidsprekers en luisterstoel hebben invloed op de hoorbaarheid van ruimteresonanties. Ruimteresonanties zijn versterkingen van het geluid, die enkel bij bepaalde frequenties plaatsvinden, waardoor er pieken in de overdrachtskarakteristiek ontstaan die een onnatuurlijke "boemende", "hoemende" of "zoemende" kleuring aan het geluid meegeven. Als ruimteresonanties minder hoorbaar zijn, zal de basweergave beter gedefinieerd zijn en de helderheid van het middengebied toenemen.
  4. Hoe verder de luidsprekers de kamer in kunnen staan (weg uit de hoeken), hoe beter het ruimtelijk beeld – en dan met name de dieptewerking daarin.
  5. Indraaien (het richten van de luidspreker op de luisteraar) heeft invloed op de klankbalans (met name op de hoeveelheid treble), de breedte van het geluidsbeeld en de scherpte van de afbeelding.

naar boven



Aspecten in Detail

1 De ruimtelijke verhouding
tussen luidsprekers en luisteraar

De belangrijkste factor voor het verkrijgen van een goed geluid is de geometrische verhouding tussen de twee luidsprekers en de luisteraar (we hebben het hier nog niet direct over de ruimte zelf). De luisteraar behoort precies midden tussen de twee luidsprekers te zitten, op een iets grotere afstand ervan verwijderd dan de onderlinge afstand tussen de twee luidsprekers zelf.

Hoewel dit geen keiharde en vaste regel is dient u wel midden tussen de luidsprekers te gaan zitten; dat wil zeggen, op precies gelijke afstand van elke luidspreker. Als u deze fundamentele verhouding niet respecteert mag u nooit een goede ruimtelijke afbeelding van uw systeem verwachten.

De figuur hierboven toont de fundamentele configuratie zoals hierboven besproken. De luisterplaats — even ver van beide luidsprekers verwijderd, maar iets verder dan de onderlinge afstand tussen de luidsprekers zelf — heet ook wel "sweet spot" en is simpelweg de plaats waar de muziek samenvalt, scherpstelt en het beste klinkt. Als u bezijden de sweet spot gaat zitten zal het geluidsbeeld de neiging hebben rondom één luidspreker te 'wolken'. Dit is afhankelijk van de luidspreker; sommige produceren een bredere sweet spot dan andere.

De afstand tussen de luidsprekers onderling is een compromis tussen een
breed geluidsbeeld en een krachtig centraal beeld. Hoe verder de luidsprekers uit elkaar staan (er van uitgaand dat de luisterpositie zelf niet verandert), hoe breder het geluidsbeeld zal zijn. Maar naarmate de luidsprekers verder uit elkaar worden geplaatst kan het centrale geluidsbeeld (dat tussen de luidsprekers wordt opgebouwd) zwakker worden en tenslotte zelfs geheel verdwijnen.
Als de luidsprekers daarentegen te dicht bij elkaar worden opgesteld zal de breedte van het geluidsbeeld verdwijnen.

 

Een beproefde "truc" om een grote afstand tussen luidsprekers te realiseren en toch een krachtig centraal beeld over te houden is in nevenstaande afbeelding te zien:

Twee dunne 30cm Tubes worden, met de reflectieve zijdes naar elkaar gericht, exact midden tussen de twee luidsprekers geplaatst. "Het is bijna alsof er een center-speaker bij is gekomen", aldus de eigenaar van deze set.
Mits de luidsprekers onberispelijk zijn opgesteld, maakt deze truc het mogelijk om met twee tubes aanzienlijke 3D werking -- echte diepte dus -- toe te voegen aan het geluidsbeeld.

De beste luisterdriehoek zal dus een krachtig centraal, maar ook een breed geluidsbeeld opleveren. U kunt deze driehoek gemakkelijk wijzigen door de luisterstoel naar voren en naar achteren te verplaatsen. Er zal waarschijnlijk een positie zijn waarin het centraal geluidsbeeld scherpgesteld wordt en als een stabiel punt midden tussen de luidsprekers verschijnt. Een muzikale selectie met een zanger en wat schaarse begeleiding is ideaal voor het bepalen van de beste afstand tussen de luidsprekers en het resulterende sterke centrale geluidsbeeld, tenminste als de zanger in het midden van het geluidsbeeld werd geplaatst tijdens het maken of mixen van de opname.

Een factor die in overweging moet worden genomen bij het bepalen van de luisterhoek (driehoek) is de verhouding daarvan tot de kamer zelf. Er kan sprake zijn van
dezelfde geometrische verhouding tussen luidsprekers en luisteraar met dicht bij elkaar geplaatste weergevers en een dichtbij de luidsprekers liggende luisterplaats, als met ver uit elkaar opgestelde weergevers en een dito luisterafstand.
Bij de
grotere luisterafstand tot de luidsprekers zal het akoestische karakter van de luisterruimte een grotere invloed op de weergave uitoefenen dan bij toepassing van een kleinere luisterafstand. Dat komt omdat er meer direct door de luidsprekers uitgestraald geluid en minder indirect, via de wanden gereflecteerd geluid, hoorbaar is bij de korte luisterafstand. Bij de grotere luisterafstand zal het geluidsbeeld ruimer (grootser) worden; bij een kortere afstand juist directer en onmiddellijker. Sommige luidsprekers hebben echter een grotere luisterafstand nodig dan andere. Deze afstand wordt o.a. door ontwerpcriteria van de luidspreker gedicteerd (geringe steilheid van filterhellingen vereist grotere luisterafstand) en dient te worden gerespecteerd, opdat het geluidsaandeel van de in de behuizing ondergebrachte afzonderlijke luidsprekerunits als een geïntegreerd geluidsbeeld bij de luisteraar wordt afgeleverd. Als er grote klankverschillen hoorbaar zijn door alleen maar dichter bij de luidsprekers te zitten, dan behoort u een grotere luisterafstand in acht te nemen; u hoort namelijk meer de afzonderlijke luidsprekerunits, i.p.v. het samengevoegde en in klankmatig evenwicht zijnde aandeel van alle units.

U moet er ook rekening mee houden dat de
afbeeldingsmaatstaf van de muzikale presentatie voor een groot deel bepaald wordt door de fysieke afmetingen van de luisterdriehoek. In een kleine luisterruimte kan, zelfs bij een kleine luisterdriehoek (1,75m.) en dito luisterafstand toch een realistisch driedimensionaal beeld van een grote concertzaal worden opgeroepen als de overige criteria naar behoren worden gerespecteerd. Maar de afbeeldingsmaatstaf van die presentatie is als een bouwmodel van bijvoorbeeld een vliegtuig — het is een voorstelling op schaal. De driedimensionale afbeelding van diezelfde opname, echter nu weergegeven in een grote luisterruimte met een beduidend grotere geometrische luisterdriehoek (2,6m.), zal correcter op schaal worden weergegeven, maar niet noodzakelijkerwijs realistischer dan bij de kleine driehoek. Het is dan ook een broodje-aap verhaal als er wordt gesteld dat men in een kleine luisterruimte niet een realistische driedimensionale weergave van een groot orkest zou kunnen neerzetten. Want ook in een zogezegd grote luisterruimte is de fysieke afmeting nog altijd slechts een fractie van de werkelijkheid van de concertzaal en op grond daarvan zou in zo'n ruimte dan evenmin een correcte schaalweergave of afbeeldingsmaatstaf van de werkelijkheid mogelijk zijn. Ook in kleine ruimtes is het mogelijk om de muren te laten wijken, met name door het toepassen van goede diffusie.

Als de apparatuur verdwijnt — het werkelijke einddoel van high-end audio is altijd om de apparatuur zo snel mogelijk kunnen vergeten — en u de ogen sluit zullen ook de normale
fysieke begrenzingen van de luisterruimte wegvallen achter en links en rechts van de luidsprekers. Het maakt daarbij voor het realisme van de drie dimensies niet zoveel uit of het om een grote of kleine ruimte gaat waarvan de muren lijken te verdwijnen — elke luisterruimte is klein vergeleken bij de realiteit van de concertzaal. Cruciaal is, natuurlijk, de opstelling en het aandeel van de luisterruimte in de weergave. Als dat goed zit en u sluit de ogen is het niet bepaald meer hoorbaar of u nu naar grote of kleine luidsprekers zit te luisteren, noch of de luisterruimte groot, dan wel klein is. Bekend is misschien het ruimtelijke 'schokeffect' dat optreedt als u de ogen opent na geruime tijd te zijn 'opgenomen' in de muzikale presentatie — "stonden de luidsprekers echt al die tijd zo dichtbij?", en "is de kamer echt maar zò klein?".



2 De nabijheid van wanden beïnvloedt de kwantiteit
èn kwaliteit van de bas.

De fysieke begrenzingen van de luisterruimte kunnen eveneens een merkbare invloed uitoefenen op de algehele
klankbalans van de weergave. Luidsprekers die dicht bij een muur worden opgesteld ondergaan een versterking van de basweergave — 'room boundary gain' genoemd — hetgeen de muzikale presentatie zwaarder maakt. Sommige luidsprekers zijn speciaal ontworpen om vlak voor een achtermuur (de wand die zich achter de luidsprekers bevindt) te worden opgesteld; ze hebben deze versterking van lage tonen nodig om een meer natuurlijke en correcte klankbalans te kunnen opbouwen. Dergelijke luidsprekers klinken te dun als ze te ver de kamer in worden geplaatst (dus behoorlijk ver uit de hoeken worden gehaald).

De meeste luidsprekers die niet op deze manier werden ontworpen zullen echter dik en zwaar gaan klinken als zijn niet tenminste 80-100cm. vanaf zij- en achterwand zijn verwijderd. Stel uzelf in elk geval op de hoogte van dit criterium voor uw luidsprekers; met name in kleinere luisterruimtes zal het vinden van een compromisloze opstelling met grotere luidsprekers best eens behoorlijk moeilijk kunnen zijn, omdat ook tussen de luidsprekers zelf en de ruimte een fysieke verhoudingsmaatstaf bestaat die niet heel erg statisch is, maar ook niet straffeloos ver kan worden overschreden. Hieronder een foto die laat zien waar de verhouding tussen de weergeefruimte en de daarin toegepaste luidsprekers te ver zoek is. Het gevolg is dat noch de luidsprekers en hardware kunnen neerzetten waartoe ze toch echt wel in staat zijn, noch de ruimte in staat is om de voor deze luidsprekers benodigde
ademruimte te reserveren.
Klik op de foto om te zien in welke ruimte deze luidsprekers uiteindelijk
wel op hun plaats zullen zijn.....






















een ruime luisterdriehoek




naar boven

Voornoemde kleine luidsprekers kunnen wèl zonder problemen dichter bij kamerhoeken kunnen worden ingezet en konden weleens een diepere, strakkere en beter gedefinieerde basweergave ten gehore brengen dan te grote broers die op papier beduidend lagere tonen kunnen reproduceren. De betere indruk die u van kleine luidsprekers in de kleine luisterruimte kunt krijgen wordt veroorzaakt door het feit dat zij weliswaar niet het diepste laag weergeven, maar daar verder ook geen poging toe doen, terwijl de grote broers voortdurend proberen om lagere tonen weer te geven dan de luisterruimte — in combinatie met de luidsprekeropstelling — strikt genomen akoestisch kan behappen. Deze geforceerde weergave van het laag is vanwege natuurkundige wetmatigheden afwezig bij kleinere luidsprekers. Het laag dat zij weergeven is (als het een goed ontwerp betreft) schoon en goed gedefinieerd; zo’n systeem kan ook niet laag genoeg weergeven om tot grote akoestische problemen te leiden in de kleine luisterruimte, waardoor de algehele luisterindruk van zo'n klein luidsprekersysteem evenwichtiger en schoner kan zijn dan die van een groot systeem in een te kleine ruimte — waarin de luidsprekers nooit ver genoeg uit de hoeken kunnen worden gehaald voor het verwezenlijken van een door muren ongekleurde weergave.

Wanneer een willekeurige luidspreker in de nabijheid van een muur of hoek wordt opgesteld wordt de lagetonen energie in principe
in fase met het door de luidsprekers uitgestraalde geluid teruggekaatst naar de luisteraar door die muur of hoek. Dit betekent dat de directe en de gereflecteerde geluidsgolven elkaar versterken — hun geluidsdruk kan simpelweg bij elkaar opgeteld worden — waardoor een luidere basweergave het gevolg is.
In een reflectie-arme (meet)ruimte wordt dit gereflecteerde aandeel bewust vermeden teneinde bijvoorbeeld een zuivere meting van de luidspreker te kunnen doen, zonder invloed van aan de meting toegevoegd en via de wanden gereflecteerd geluid. Een dergelijke meetcurve — waarin de frequentie wordt uitgezet tegen de amplitude of geluidssterkte van het meetsignaal — toont meestal een mooie rechte lijn over het gehele frequentiebereik, waarbij de basweergave aan de linkerkant van de curve geleidelijk aan afzwakt als het testsignaal een lagere frequentie krijgt als de resonantiefrequentie van het luidsprekersysteem zelf.

Diezelfde meting kan worden uitgevoerd in de
luisterruimte waarin het systeem speelt. De reflectie-arme curve uit de meetruimte wordt nu 'verrijkt' met allerlei frequentie-afhankelijke pieken en dalen in de geluidsdruk, die voor wat betreft de lagere frequenties voornamelijk door de muren, de vloer en het plafond — dus de fysieke grenzen van de ruimte — worden veroorzaakt. De resulterende frequentie/amplitude curve van deze meting kan in extreme gevallen heel weinig gelijkenis vertonen met de reflectie-arme rechte lijn die in de 'dode kamer' werd gemeten. Pieken en/of dalen van 10dB of meer — een verdubbeling tot een verviervoudiging van de geluidssterkte onder en boven de nullijn — doen snel het muzikale genoegen de das om. Onderstaande frequentieplot laat dit zien voor een ruimte die in gebruik is als opnamestudio. In het bijzonder is zichtbaar dat er in het middengebied (rond 1500 Hz) een enorme dip zichtbaar is in het directe geluid en het eerste golffront, maar NIET in het totale geluidsbeeld dat op de luisterplaats hoorbaar is.










Ten opzichte van de reflectie-arme ruimte kan een correcte luidsprekeropstelling echter ook de laagweergave van het systeem verdiepen met een half tot een heel octaaf. De dode kamer laat de lagetonen weergave van de luidspreker onder 45Hz langzaam wegvallen — de natuurlijke afval van dit specifieke ontwerp. Maar correcte opstelling in een goede luisterruimte zal een weergave tot 25 of 30Hz mogelijk maken, zonder de hiervoor beschreven extreme pieken of dalen. Enige frequentie-afhankelijke stijging of daling van de curve is onvermijdelijk. We willen niet alleen zo min mogelijk fluctuaties in de curve, maar ook dat deze pieken en dalen zo klein mogelijk zijn — dus zo weinig mogelijk in geluidssterkte oplopen of teruglopen. Kortom, we willen de rechte lijn van de dode kamer terug, aangevuld met een half of heel octaaf basweergave — gratis en voor niets en louter als gevolg van de correcte opstelling van de voor die ruimte correcte luidspreker. Nu wordt meteen ook duidelijk waarom het onzinnig is om de resonantiefrequentie van een luidsprekersysteem te hanteren als aankoopcriterium voor die luidspreker. Omgekeerd kan ook de verkoper niet de onderste grensfrequentie van het luidsprekersysteem gebruiken als verkoopargument; deze onderste grensfrequentie of resonantiefrequentie moet altijd in relatie tot de luisterruimte worden bezien. Zonder specifieke voorzorgsmaatregelen is het een veilige handelwijze om de resonantiefrequentie van het luidsprekersysteem slechts iets hoger te kiezen als de frequentie van de onderste ruimteresonantie. In een kleine luisterruimte, met een onderste ruimteresonantie van 50Hz kan een kleiner luidsprekersysteem (met een resonantiefrequentie van ongeveer 50-60Hz) zorgen voor een beduidend betere basweergave dan zelfs het grootste en duurste luidsprekersysteem, dat nota bene ontworpen is om de grondtonen van een kerkorgel weer te geven. De hoeveelheid basenergie die door het grote systeem wordt afgestraald heeft in de onbehandelde kleine luisterruimte geen enkele uitweg, noch enige mogelijkheid tot integratie met de rest van het afgestraalde geluid. Zolang geen maatregelen genomen zijn om die hoeveelheid lagetonen energie correct te verwerken is het beter om die energie helemaal niet op te wekken; dan hoeft er immers ook niets mee gedaan te worden. De afwezigheid van dergelijke lagetonen energie in kleine systemen maakt dat de (beperktere) basweergave echter wèl ongekleurd en van uitstekende kwaliteit kan zijn.

Elk oppervlak dat zich in de buurt van de luidspreker bevindt (vloer, achtermuur, zijmuur) betekent een toevoeging van basenergie tezamen met de lagetonen afstraling van de luidspreker. Maar de positie van de luidspreker t.o.v. de achter- en zijwanden zal tevens bepalen
welke frequenties zullen worden benadrukt. Correcte luidsprekerplaatsing in de luisterruimte heeft daarom dus niet slechts invloed op de hoeveelheid lage tonen, maar ook op de frequentie daarvan en het kan de onderste grensfrequentie van de luidspreker verder verlagen t.o.v. die in de de dode kamer, maar ook pieken en dalen in de weergave verder rechttrekken. Omgekeerd kan een enigszins verkeerde opstelling selectief frequenties gaan benadrukken en aldus zorgen voor nare kleuringen in het bas- en het hogere basgebied. Veel luisterruimtes van gemiddelde woonkamerafmetingen benadrukken het gebied rond 60Hz en dat rond 110-140Hz vanwege hun verhoudingen van lengte, breedte en hoogte (meestal in de buurt van 1 : 0.5 : 0.35), die verantwoordelijk zijn voor het aanspreken van resonanties in die gebieden. Het gevolg is dan een overdreven nadruk op smalbandige gebiedjes
binnen het basgebied (een 'boemend' of modderig geluid als het echt tegenzit) en een schijnbare tenachterstelling van het middengebied, dat daardoor als te slank wordt ervaren. Schuiven met de luidsprekers kan om deze redenen tot aanmerkelijke hoorbare verschillen in frequentiekarakteristiek leiden en daadwerkelijk het verschil uitmaken tussen gebrekkige weergave en geweldige weergave (uiteraard indien ook de overige voorwaarden voor een goed geluid voldoende werden gerespecteerd).






















Een andere vuistregel voor de afstanden van de luidspreker naar de dichtstbijzijnde achterwand en zijwand is dat zij verschillend dienen te zijn, waarbij het verschil tenminste 33% zou moeten zijn. Als de luidspreker dus bijvoorbeeld 75cm. van de zijmuur is verwijderd dient ie tenminste 0,5m. van de achterwand te zijn verwijderd of, als er meer ruimte is, minstens 1 meter of meer. Verschillende afstanden tot de muren zullen ook verschillende frequenties benadrukken, en dat is in principe beter dan wanneer tweemaal dezelfde frequenties benadrukt worden als gevolg van tweemaal dezelfde afstand tot twee dichtstbijzijnde muren.
Een aantal luidsprekerfabrikanten zal de correcte (minimale) afstanden tot achter- en zijwand specificeren. Deze afstand wordt gemeten tussen het hart van de wooferconus en de muur. Gebruik deze geadviseerde afstanden als uitgangspunt voor de opstelling, tenminste wanneer de afmetingen van de ruimte beperkt zijn.

Tenslotte heeft de afstand van de luidspreker tot de zijwand een invloed op de sterkte (amplitude) van de zijreflectie. Hoe dichter de luidsprekers bij de zijmuur staan, hoe hoger de geluidssterkte van de zijreflectie is die de luisteraar bereikt — geen begerenswaardig doel, aangezien het een extra -- weliswaar virtuele -- geluidsbron introduceert tegen de zijmuur.
Als deze zijmuur een akoestische behandeling (evt. ter plaatse van de reflectie) heeft gekregen, zoals beschreven in het artikel
"Relevante Aspecten van Akoestiek in een Luisterruimte", dan zal het dichter bij de zijmuur opstellen van de luidspreker minder nadelig effect hebben als bij een onbehandelde muur.



3 De posities van luidsprekers en luisterstoel beïnvloeden
de hoorbaarheid van ruimteresonanties

Naast het verdiepen van de basweergave en het gladstrijken van de overdrachtskarakteristiek van de lage tonen zal correcte plaatsing van de luidsprekers ten opzichte van de muren van de luisterruimte eveneens de hoorbare gevolgen reduceren van de
resonantiemodi van de kamer (zie ook de figuur hierboven). Resonantiemodi (enkelvoud = modus) zijn versterkingen of verzwakkingen van bepaalde frequenties, die eveneens voor verhoging of verzwakking van de geluidsdruk bij die frequenties verantwoordelijk zijn. Resonantiemodi veroorzaken ook staande golven; stationaire frequentiepatronen, waarin hogere en lagere geluidsdrukken heersen die het geluid kleuren. De patronen van staande golven worden zowel bepaald door de afmetingen van de ruimte als door de positie van de geluidsbronnen in die ruimte. Door het zorgvuldig positioneren van luidsprekers en luisterstoel op de beste locaties kan een gladdere basweergave worden gerealiseerd.

Een bekende vuistregel stelt dat voor de beste basweergave de afstand tussen de luidsprekers en de achterwand éénderde van de kamerlengte dient te zijn. Als dit onpraktisch zou zijn kan ook voor éénvijfde kamerlengte worden gekozen. Deze beide posities reduceren de opwekking van staande golven en kunnen ook als uitgangspunt gebruikt worden om de luidsprekers met de ruimte te integreren, zeker als ruimtegebrek geen rol speelt. In dezelfde vuistregel behoort de luisterstoel op ongeveer tweederde of viervijfde van de kamerlengte te worden opgesteld.
Vanuit deze basisopstelling kunt u de luidsprekers met, kleine stukjes tegelijk,
symmetrisch — dus links en rechts exact in dezelfde mate — verplaatsen terwijl u muziek afspeelt die rijk is aan lagetonen informatie. Luister naar de rechtheid, diepte en articulatie van de bas, alsmede hoe deze integreert met de rest van het spectrum. Als u de plaats vindt waar de bas het meest recht (neutraal) klinkt, behoort er ook een duidelijke verbetering op te treden in helderheid en definitie van het middengebied.


4a Afstand tot Achterwand heeft invloed
op het Ruimtelijk Beeld.

Over het algemeen geldt, hoe verder weg van de achterwand de luidsprekers worden opgesteld, hoe dieper het geluidsbeeld. Een diep ruimtebeeld wordt zelden ontwikkeld als de luidsprekers erg dicht tegen de achterwand staan opgesteld. Door deze afstand minimaal tot 50 à 60cm. — of eenvijfde tot eenderde kamerlengte — te vergroten kan het geluidsbeeld spectaculair openbloeien. Helaas is het in de meeste woonkamers erg moeilijk om luidsprekers zover de kamer in te plaatsen. Als de luidsprekers dan toch dicht tegen de achtermuur moeten staan, maak deze dan zoveel als mogelijk
breedbandig akoestisch absorberend.


de nabijheid van wanden werkt niet bij alle typen van luidsprekers nadelig uit...



4b Luisterhoogte en klankbalans

De meeste luidsprekers laten verschillen horen in de frequentiekarakteristiek wanneer
de luisterhoogte varieert (de luisterhoogte is de afstand van de gehoorgang tot de vloer). Deze veranderingen vinden plaats in het middengebied en de treble en beïnvloeden niet of nauwelijks de balans van de laagweergave. De luidspreker zal in principe het helderst klinken (d.w.z. de meeste treble weergeven) als uw oren zich op dezelfde hoogte als de tweeters bevinden, ofwel op de as van de tweeter. De meeste tweeters, onafhankelijk van het kastformaat bevinden zich in een correcte opstelling ergens tussen de 80 en 125cm boven de grond teneinde overeen te komen met de typische luisterhoogte. Als u een in hoogte verstelbare burostoel heeft kunt u goed horen op welke wijze de hoogte van de luisteras van invloed is op de balans van midden en treble en uw luisterstoel daar indien nodig op aanpassen.

De mate waarin het geluid aan verandering onderhevig is bij het veranderen van de luisterhoogte is sterk afhankelijk van de gebruikte luidspreker, maar is in principe
geen criterium voor de kwaliteit van de weergave. Sommige modellen hebben een breed en/of hoog spreidingsgebied — horizontaal en/of verticaal — waarin weinig verandering van klankbalans hoorbaar is; andere modellen laten al goed hoorbare veranderingen horen als u alleen maar uw rug recht onder het luisteren. Het kiezen van een luisterstoel die uw oren op de juiste luisterhoogte — meestal op of iets boven de tweeteras — brengt zal u belonen met een correct gebalanceerde trebleweergave. Respecteer bovenal de eventuele instructies t.a.v. luisterhoogte die door de fabrikant kunnen worden gegeven. In andere gevallen is het een goed uitgangspunt om de tweeters op oorhoogte op te stellen.



5 Indraaien




















Indraaien is het binnenwaarts (naar de luisteraar toe) richten van de voorzijde van de luidsprekers, in plaats van deze voorzijde parallel met de achterwand te laten lopen.
De figuren hierboven laten dit schematisch zien; er bestaan geen werkelijke regels voor correct indraaien; de optimale positie is sterk afhankelijk van de combinatie van luidspreker, luisterruimte, gekozen luidsprekerposities en luisterafstand. Sommige luisprekers presteren beter als zij worden ingedraaid; andere doen het beter als zij hun geluid parallel met de achterwand kunnen afstralen.
Het indraaien van luidsprekers heeft in elk geval altijd direct invloed op diverse kwaliteitsbepalende aspecten van de muzikale presentatie, met name op het frequentieverloop van midden en hoog (het evenwicht daarin en daartussen), de scherpte van de instrumentenplaatsing in het geluidsbeeld, het gevoel van directheid van en betrokkenheid bij de presentatie en het gevoel van ruimtelijkheid en 'omhulling' dat door het geluidsbeeld wordt opgeroepen — allemaal behoorlijk
bepalende kwaliteiten.

De meeste luidsprekers klinken het
helderst op de afstraalas — dus pal voor de luidspreker. Indraaien 'regelt' zodoende de hoeveelheid treble-energie die op de luisterplaats ten gehore wordt gebracht. Een al te helder en open klinkende luidspreker kan misschien ietwat 'getemd' worden door de luidsprekers (nagenoeg) recht vooruit te laten afstralen. Sommige modellen die speciaal werden ontworpen om niet te worden ingedraaid, klinken veel te helder op de luisteras (recht vòòr de luidspreker), die dan ook haaks op de achterwand dient te blijven staan. Dit is bijvoorbeeld het geval bij echte dipolaire ribbonluidsprekers.

De
verhouding tussen direct en geflecteerd geluid verschuift naar meer directheid als gevolg van het indraaien van de luidsprekers. Dat komt omdat een ingedraaide luidspreker meer directe energie aan de luisteraar presenteert en minder aan de ruimte zelf. Deze in de ruimte gestraalde geluidsenergie bereikt de luisteraar pas nadat het afgestraalde geluid eerst via de muur of meerdere muren werd weerkaatst naar de luisterplaats. In een luisterruimte met nadelig reflecterende zijmuren kan indraaien een regelrecht voordeel zijn. Bovendien wordt ook de amplitude van de gereflecteerde geluidsenergie sterk gereduceerd als gevolg van indraaien. Omgekeerd zal de hoeveelheid gereflecteerde geluidsenergie die door de luisteraar wordt gehoord toenemen als wordt afgezien van het indraaien van de luidsprekers, waardoor een gevoel van ruimtelijkheid en luchtigheid aan de presentatie wordt toegevoegd. Het verkleinen van de hoek waarmee de luidsprekers worden ingedraaid kan het geluidsbeeld opengooien en het gevoel van omhulling door de muziek versterken.
Meer indraaien zal daarom ook leiden tot het toenemen van de plaatsingsscherpte en definitie van de muzikale afbeelding. Ingedraaide luidsprekers leveren meestal een scherper gestoken en duidelijker begrensde ruimtelijke afbeelding. Individuele instrumentenafbeeldingen zijn dan ook meer begrensd, tastbaar en compact in plaats van diffuus en wat losjes of 'wankel' geplaatst in de ruimte. Dit alles kan in een akoestisch geoptimaliseerde ruimte weleens heel anders uitpakken, met name indien de zijwanden met diffuserpanelen zijn behandeld. De nadelige invloed van (zij)reflecties wordt hiermee gereduceerd of teniet gedaan.
De optimale hoek waarmee de luidsprekers moeten worden ingedraaid is vaak een
compromis tussen teveel treble en een krachtig centraal geluidsbeeld. Bij sterk indraaien is het alsof het geluidsbeeld wordt scherpgesteld, maar de presentatie is vaak te helder. Zonder indraaien is de balans van de treble gladder, maar de afbeelding is vager.

Indraaien heeft ook gevolgen voor de
algehele ruimtelijke indruk van de muzikale presentatie. Zonder indraaien is er sprake van een groter, weelderiger, maar minder precies geluidsbeeld. Instrumenten worden minder duidelijk omlijnd, maar de presentatie is groter en ruimtelijker. Indraaien doet de schijnbare driedimensionale afmetingen van het geluidsbeeld inkrimpen, maar maakt preciezere plaatsing mogelijk. Ook hier is de mate van indraaien geheel afhankelijk van de luidspreker, de ruimte en uw persoonlijke voorkeur. Er bestaat ook geen vervanging voor het luisteren en aanpassen en weer luisteren, totdat de optimale indraaihoek — het beste compromis — uiteindelijk wordt bepaald.

Het links en rechts
symmetrisch (in precies dezelfde mate) indraaien van de luidsprekers is cruciaal. U kunt dit het beste visueel controleren door midden tussen de luidsprekers op een zodanige luisterafstand plaats te nemen, dat de binnenste of buitenste zijkant van de ene reeds correct ingedraaide luidspreker als bruikbare referentie voor het identiek indraaien van andere kan dienen.
Symmetrisch indraaien is essentieel voor het verwezenlijken van een identieke frequentiekarakteristiek van beide luidsprekers. Deze links en rechts identieke geluidsaandelen dragen bij aan correcte en exacte plaatsing van instrumentenafbeeldingen in het geluidsbeeld.


naar boven









indraaien

Luidsprekeropstelling in
Asymmetrische Ruimtes

Tot nog toe hebben we de luidsprekeropstelling bekeken in een qua grondvorm
'ideale' ruimte, die zowel symmetrisch is als aan vier zijden gelijkelijk begrensd. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld bij luisterruimtes waarvan een zijde in open verbinding staat met de rest van het huis of de woonkamer, of bij luisterruimtes waarin een goede luidsprekeropstelling moeilijker te verwezenlijken is?

Het is gelukkig nog steeds wel mogelijk om een goed geluid te realiseren in allerlei soorten van asymmetrisch gevormde luisterruimtes, maar er zullen vaak aanvullende akoestische maatregelen nodig zijn, bovenop de algemeen geldende te nemen maatregelen, ten eind aan deze specifieke hinderpalen tegemoet te komen.

Hierboven een kamer waarbij één zijmuur min of meer ontbreekt en toegang geeft tot de rest van het huis of een open keuken, eetkamer of zitkamer o.i.d. De linker luidspreker zal meer kamerversterking inbrengen dan de rechter, als gevolg van de nabijheid van de kamerhoek. En hoe dichter bij de hoek, hoe meer basversterking optreedt. De rechter luidspreker zal dus een beduidend lagere basversterking introduceren en een serieuze onbalans in de laagweergave is het gevolg.

De oplossing is tweevoudig. Ten eerste dienen de luidspreker behoorlijk ver van de achtermuur te worden opgesteld (niet erg praktisch voor de doorloop.......), aangezien dit de kamerversterking van de linker luidspreker terugbrengt tot een nivo dat beter aansluit bij de rechter luidspreker. Ten tweede dient er een absorberend element voor de lage tonen (bijvoorbeeld een Tube Trap of een afgestemde basstrap) in de linkerhoek te worden geplaatst. Dit dient om een teveel aan akoestische lagetonenenergie aan de linkerzijde te absorberen, in plaats van deze te laten terugkaatsen in de ruimte. Zo is het mogelijk om met twee tubes de laagweergave links in evenwicht brengen met die van rechts. Het zal echter nooit mogelijk zijn om een identiek evenwicht te bewerkstelligen. Deze techniek maakt het niettemin mogelijk om de basbalans te herstellen binnen aanvaardbare toleranties — zeer zeker als verhuizen het alternatief zou zijn.
Overigens zal een draaiing van 180 van bovenstaande luisterdriehoek in de praktijk waarschijnlijk gunstig uitpakken, omdat de
directe omgeving van de luidsprekers hierdoor symmetrisch wordt. In dit geval is de luisterplaats zelf asymmetrisch in de breedte van de ruimte geplaatst, maar dit kan juist een voordeel zijn. Er zullen ter compensatie ook maatregelen genomen moeten worden, maar omdat de basis hier een stuk beter is zal het eindresultaat ook beter zijn, maar valt in elk geval gemakkelijker te realiseren.

 

Als een ruimte niet-parallelle wanden heeft kunt u de luidsprekers het best aan het vernauwde kamereinde opstellen. Hieronder toont de rechter tekening daarom de minder geslaagde opstellingskeuze; de linker tekening laat de correcte optie zien in een dergelijke ruimte. Het probleem met de rechter opstelling bestaat uit het gegeven dat de toch al schadelijke zijreflecties nu bovendien ook nog eens op de luisterplaats worden gericht door de schuine wanden. Op de linker tekening worden de zijreflecties op een correctere en natuurlijke manier weggeleid van de luisteraar; veel controlekamers in opnamestudio's maken van bovenstaande grondvorm gebruik om precies deze reden en noemen het een "reflectievrije zone" (zie de figuur hieronder)

 



naar boven


Op de Lange of de Korte Muur ?
De voorgaande voorbeelden gingen er van uit dat de luidsprekers tegen de
kortste muur zullen worden geplaatst in een rechthoekige ruimte. Deze traditionele opstelling voorziet in de maximale ruimte voor het naar voren brengen van de luidsprekers, weg van de achtermuur. Maar het opstellen van de luidsprekers voor de langste kamermuur heeft ook bepaalde voordelen.

 

Plaatsing 'op de lange kant' heeft een directer geluid op de luisterplaats tot gevolg, alsmede minder door de zijmuren gereflecteerde energie. Het hoorbare voordeel is een zuiverdere klankbalans en tonale zuiverheid en grotere accuraatheid van het ruimtelijk beeld. De luidsprekers zelf zijn meer hoorbaar en het aandeel van de kamer is geringer. Het geluid neigt naar meer directheid, detail en presentie.

Plaatsing op de lange kant is alleen goed mogelijk wanneer de ruimte voldoende breed is om enerzijds enige ruimte tussen luidsprekers en achtermuur te kunnen respecteren, en om anderzijds tussen de luisteraar en de achter hem staande muur voldoende ruimte vrij te laten. Bovendien moet er ook voldoende
luisterafstand overblijven voor het ontwikkelen van het ruimtelijk beeld. Als u met uw hoofd dicht bij de achterliggende muur zit zal het geluid zwaar aangezet kunnen worden en niet profiteren van de mogelijkheid om ook achter-ambiance te ontwikkelen. Als u niet oppast komt u in de meeste ruimtes toch nog erg dicht bij de luidsprekers te zitten — alleen de grote ruimtes komen in aanmerking voor het compromisloos uitvoeren van een dergelijke opstelling.

Luidsprekers met een bepaald type scheidingsfilter [6dB/octaaf of 1e-orde filters] maken het vaak noodzakelijk om voldoende luisterafstand in acht te nemen, opdat het geluidsaandeel van de individuele units tot een totaalbeeld kan integreren. Als u te dichtbij een luidspreker gaat zitten waarbij de minimale luisterafstand kritisch is voor integratie van het totaalbeeld, zal de klankbalans niet correct en sterk onderhevig zijn aan variaties in met name de luisterhoogte.

Het kan de moeite waard zijn om eens de proef op de som te nemen (als u dat al niet heeft gedaan) en enige tijd met een opstelling op de lange kant te experimenteren. Kleinere luidsprekers die baat kunnen hebben bij plaatsing dichtbij een achterwand kunnen daardoor in staat zijn om — naast het voor kleine weergevers vaak grootse en correcte geluidsbeeld — een meer dan bevredigende basweergave (als gevolg van kamerversterking door de muur achter de luidsprekers) neer te zetten.







achterwanddiffusie....


Tenslotte kunt u ook overwegen om uw luidsprekers in een schuine hoek ten opzichte van de kamermuren op te stellen, zoals in de figuur hierboven wordt getoond. Deze opstelling wordt weleens door luidsprekerontwerpers gebruikt wanneer zij proberen een goed geluid te krijgen in een kleine hotelkamer tijdens hifi-shows. Deze opstelling, die het beste werkt met kleinere luidsprekers, heeft het voordeel van terugdringing van de zijreflecties op de luisterplaats. Het nadeel ervan is dat de opstelling het grootste deel van het vloeroppervlak in beslag neemt en de luidsprekers dichter bij de muren in de buurt brengt, waar de basweergave versterkt zal worden. Dit is dan meteen de reden dat deze opstelling meestal meer succes heeft met kleinere luidsprekers met een tamelijk begrensde laagweergave.



 

Plaatsing van Dipolaire
en Bipolaire Luidsprekers

Dipolaire
luidsprekers produceren geluid aan de voorkant en de achterkant. Een electrostaat (electrostatische luidspreker) is een dipoolstraler, omdat het trillende membraan in de vrije lucht is opgehangen en niet in een kastbehuizing, waardoor evenveel geluid aan de voorkant wordt afgestraald als aan de achterkant. De door een dipolaire luidspreker achterwaarts afgestraalde geluidsgolf is
uit fase met de voorwaartse golf; dat betekent dat als het membraan voorwaarts beweegt en zo een overdruk aan de voorkant van het membraan opwekt, het ook tegelijkertijd aan de achterzijde een onderdruk genereert.

Een
bipolaire luidspreker bestaat uit een set conventionele dynamische luidsprekerunits aan de voorzijde en aan de achterzijde van de kastbehuizing. De voor en achter afgestraalde golven van een bipolaire luidspreker zijn
in fase met elkaar.

Beide luidsprekertypen hebben andere vereisten t.a.v. de opstelling als conventionele dynamische luidsprekers. De interactie tussen bipolaire / dipolaire luidsprekers en de luisterruimte is als gevolg van hun afwijkende werk- en bouwwijze eveneens afwijkend t.o.v. een normale interactie van een dynamische luidspreker. De belangrijkste overweging bij het plaatsen van di- en bipolaire luidsprekers is op welke wijze de grotere rol van de muur of wand achter de luidsprekers in de weergave kan worden beheerst en benut. Anders dan bij conventionele dynamische luidsprekers — die ook puntbronstralers worden genoemd — is deze achtermuur van veel sterkere invloed op het gehele frequentiespectrum en op de andere aspecten van de presentatie. Daar staat dan tegenover dat de invloed van de zijwanden en het plafond duidelijk lager ligt, en op voornoemde punten dus minder kritisch is.
Dipolaire luidsprekers stralen zijwaarts zeer weinig energie af.

Over het algemeen houden dipoolstralers wel van een reflecterende achterwand, die aangevuld is met verstrooiende objecten of echte diffusers, tenminste in het gedeelte recht achter de luidsprekers zelf. Een sterk absorberende achterwand doet het specifieke gebruiksdoel van een dipoolstraler teniet; deze weerkaatste energie hoort er beslist bij en moet dan ook hoorbaar blijven. Maar als die muur vlak is en er geen geluidsbrekende en verstrooiende objecten voor zijn geplaatst, dan valt de gereflecteerde geluidsenergie op een zodanig manier samen met het directe geluid, dat het ruimtelijke beeld wordt gereduceerd. Boekenkasten direct achter dipoolstralers helpen om de achterwaarts afgestraalde geluidsenergie te verstrooien, net zoals open haarden, meubels en andere onregelmatig gevormde objecten. Tubes kunnen ook direct achter dipoolstralers worden opgesteld met hun reflecterende kant de ruimte in.

Dipolaire luidsprekers dienen al met al ook behoorlijk ver de kamer in te worden geplaatst. Ze kunnen niet vlak voor een achterwand worden geplaatst en daar een groot en diep geluidsbeeld produceren. Compromissen zijn hier eigenlijk niet mogelijk en als niet aan de hiervoor vermelde minimumvoorwaarden kan worden voldaan is het eigenlijk beter om puntbronstralers op te stellen. Verlies van omvang en diepte van het ruimtelijk beeld is nauwelijks te verdedigen met het argument dat het zo prachtig vloeibaar en gemakkelijk klinkt uit zo'n dipoolstraler. Beide eigenschappen kunnen net zo goed door een conventioneel luidsprekersysteem worden gerealiseerd dat gemakkelijker optimaal kan worden opgesteld. Als u bereid bent om een flink gedeelte van de ruimte op te offeren aan de optimale opstelling heeft u echter alle recht van spreken om voor een dipoolstraler te kiezen — dit type luidspreker heeft ontegenzeglijk enkele unieke voordelen t.o.v. een dynamisch systeem. Deze voordelen geven vaak de doorslag voor de aanschaf van de dipoolstraler maar kunnen, zoals gezegd, slechts met een optimale opstelling worden gereproduceerd. Als u hieraan dan wilt denken, terwijl u eens naar zo'n goed opgestelde electrostaat of magnetostaat kunt luisteren op een hifi-show of bij een dealer, zal een impulsieve aankoop van die geweldige weergever u bespaard blijven. SoundScapeS denkt dat degenen die zich thuis hebben verkeken op het punt van opstelling van een dipoolstraler vaak slechter af zijn dan de meeste luisteraars met een onbevredigende opstelling van puntbronstralers. Verkeerd opgestelde electrostatische en magnetostatische luidsprekers kunnen werkelijk
verschrikkelijk klinken als het goed mis is en het is gewoon niet goed mogelijk om er erg lang met plezier naar te luisteren. Wie de ruimte heeft wil meestal niets anders meer dan een dipoolstraler, als er eenmaal eentje goed opgesteld heeft staan spelen.

Zie ook de projectpagina over luisterruimtes voor dipolaire weergevers.
Klik
hier


naar boven










dipolair nirvana:
Apogee "Full Range"




Subwoofer-Installatie en -Opstelling
Het is betrekkelijk gemakkelijk om een subwoofer in uw systeem op te nemen en meer bas te horen. Het is betrekkelijk moeilijk om de bas van de subwoofer te
integreren met het geluid van de hoofdluidsprekers (ook weleens 'satellieten' genoemd). Lage bas die door een subwoofer wordt gereproduceerd kan behoorlijk verschillend klinken van de basweergave zoals deze wordt weergegeven door de kleinere conussen in de linker en rechter hoofdluidsprekers. Een correct geïntegreerde subwoofer kenmerkt zich door een naadloze overgang in het geluid, maar niet door een boemerig gerommel dat onderin het frequentiegebied aan de muziek wordt toegevoegd. De muziek behoort niets van het natuurlijke karakter te verliezen als gevolg van het inzetten van de subwoofer. Een slecht geïntegreerde subwoofer zal dik, zwaar, boemerig en onnatuurlijk klinken en u er voortdurend aan herinneren dat u kleinere luidsprekers heeft die de hogere bas, het midden en het hoog weergeven en een grote subwoofer voor weergave van de lage bassen.

Het integreren van een subwoofer in uw systeem heeft dus wel iets van een uitdaging, aangezien de satellieten (over het algemeen) kleine en lichte conussen hebben, terwijl die van de subwoofer groot en zwaar is. Bovendien is de subwoofer ontworpen voor het afstralen van grote hoeveelheden lage bas en niet voor het weergeven van details. De hogere basweergave van de satellieten zal snel, schoon en gearticuleerd zijn. De bas van de subwoofer is vaak langzaam en zwaar.

Het verwezenlijken van een goede integratie tussen de kleine luidsprekers en de subwoofer is meestal gemakkelijker te realiseren door het aanschaffen van een compleet systeem dat door één fabrikant precies voor dit doel werd ontworpen. Dergelijke systemen zijn afgestemd op samenwerking en op het leveren van een soepel verlopende overgang van subwoofer naar satellieten. Het is vooral het scheidingsfilter dat het
basaandeel verwijdert uit het audiosignaal dat aan de beide satellieten wordt aangeboden, en dat tegelijk alle lage, midden- en hoge frequenties uit het signaal weglaat dat naar de subwoofer wordt gezonden. Als deze ontwerpcriteria en de uitwerking ervan aan één fabrikant wordt overgelaten is er een grotere kans op een goed werkend systeem met een naadloos verlopende overgang tussen subwoofer en hoofdluidsprekers, dan wanneer de subwoofer een los component is van een andere fabrikant en die in het systeem werd opgenomen om "het laagste laag te verzorgen".
Als u dan toch een subwoofer wilt kopen van een andere fabrikant als het hoofdsysteem, dan kunnen de diverse regelaars op de meer geavanceerde modellen u helpen om deze sub te integreren met de rest van de weergeefketen.

Eén regelaar maakt het mogelijk om de
scheidingsfrequentie of kantelfrequentie in te stellen. Deze instelling regelt de frequentie waarbij de overgang tussen de subwoofer en de satellieten plaatsvindt. Frequenties die lager zijn dan de kantelfrequentie worden door de subwoofer gereproduceerd; hogere frequenties worden door de hoofdluidsprekers weergegeven. Als de satellieten erg klein zijn en niet zo laag in het basgebied kunnen weergeven zal er sprake kunnen zijn van een "gat" in de frequentie-overdracht. Er zal een klein frequentiegebied zijn dat noch door de subwoofer, noch door de satellieten wordt weergegeven.
Een te hoge instelling van de kantelfrequentie heeft eveneens een gebrekkige integratie tot gevolg, maar om een andere reden. De grote conus van de subwoofer is speciaal ontworpen voor het weergeven van lage bassen. Wanneer hem wordt gevraagd om ook de hogere bassen weer te geven (door de hoger ingestelde scheidingsfrequentie) zullen deze frequenties minder helder en omlijnd worden weergegeven als wanneer zij werden gereproduceerd door de kleinere hoofdluidsprekers. Het vinden van de juiste kantelfrequentie is daarom de eerste stap op weg naar een goede integratie van de subwoofer met de rest van het systeem. De meeste gebruiksaanwijzingen die met een subwoofer worden meegeleverd geven instructies voor het instellen van de kantelfrequentie. Als vuistregel geldt echter: Hoe lager de scheidingsfrequentie, hoe beter.

Een andere regelaar is die welke meestal aangeduid wordt met de term
"Phase" of "Phase-Control" [Fase of Faseregeling]. Om de werking van faseregeling bij een subwoofer te begrijpen kunt u zich een geluidsgolf voorstellen die tegelijkertijd door zowel de subwoofer als de hoofdluidsprekers wordt afgestraald — in fase dus. Dit zal in beginsel alleen een geluidsgolf op de kantelfrequentie of heel dicht daarbij kunnen zijn, aangezien dit de enige frequenties zijn die in de praktijk tegelijkertijd door beide weergeefsystemen worden gereproduceerd. En tenzij de hoofdluidsprekers en de subwoofer op identieke afstand van uw oren zijn opgesteld, zullen deze twee afzonderlijke geluidsgolven uw oren op iets verschillende momenten bereiken, ofwel een verschillende fase hebben ter plaatse van de luisteraar, terwijl ze niettemin wel in fase worden afgestraald door de beide systemen. Tevens kan de elektronica in de subwoofer een fasverschuiving in het signaal introduceren. De (traploze) faseregeling maakt het mogelijk om de geluidsgolf die door de subwoofer wordt afgestraald enigszins in de tijd te vertragen, opdat deze correct in fase met de golf van het hoofdsysteem bij de luisteraar aankomt. Als deze beide geluidsaandelen in correcte fase worden gereproduceerd is er sprake van een meer samenhangend en geïntegreerd geluid.
Eén manier voor het (eenmalig) afstellen van de faseregelaar is om vanuit de luisterpositie te luisteren naar een stuk muziek, terwijl iemand anders de regelaar zodanig instelt dat de subwoofer de gladste overgang en weergavekarakteristiek ten gehore brengt.
Een betere, meer precieze methode voor het instellen van de fase garandeert een perfecte fasezuiverheid tussen subwoofer en satellieten. Sluit allereerst de kabels achterop het hoofdsysteem
omgekeerd aan, zodat de zwarte luidsprekerkabel op de rode terminal van de luidsprekers komt te zitten en de rode kabel op de zwarte terminal. Doe dit met beide luidsprekers. U moet verder een test-CD hebben met daarop een zuivere testtoon van de kantelfrequentie van het systeem, of een frequentiegenerator waarmee de juiste frequentie kan worden opgewekt. Terwijl u weer in de luisterstoel plaatsneemt laat u iemand anders de faseregelaar instellen totdat u de minste hoeveelheid bas hoort. Op dat punt is de faseregelaar voor de subwoofer perfect ingesteld. Keer de kabels achterop de hoofdluidsprekers weer om in de originele aansluitpositie: rood op rood en zwart op zwart.

Door deze procedure te volgen doet u eigenlijk het volgende: Het omkeren van de absolute polariteit van de hoofdluidsprekers maakt dat zij nu in tegenfase met de subwoofer zijn aangesloten (die immers wel correct is aangesloten middels rood op rood en zwart op zwart). Bij het afspelen van het testsignaal met dezelfde frequentie als de kantelfrequentie van de subwoofer zal die toon door beide hoofdluidsprekers plus de subwoofer tegelijk worden afgestraald. De minste bas is hoorbaar wanneer de geluidsgolven van de hoofdluidsprekers en de subwoofer maximaal uit fase zijn — dus wanneer de conus van de hoofdluidspreker achterwaarts beweegt gaat die van de subwoofer voortwaarts. De twee uit fase afgestraalde geluidsgolven doven elkaar uit, waardoor er nog maar heel weinig bas hoorbaar is. Als nu de absolute polariteit van de hoofdluidsprekers weer correct wordt aangesloten (dus weer in fase met de subwoofer), zullen de conussen maximaal
in fase zijn met die van de subwoofer en de meeste bas is nu op de luisterplaats hoorbaar in correcte fase. Dit is de meest zuivere methode voor het instellen van de relatieve fase tussen subwoofer en satellieten; een traploos instelbare faseregelaar is hiervoor
vereist!

Veel subwoofers zijn echter uitgerust met een faseregelaar die in vier stappen van elk 90° instelbaar is. Aangezien de faseverschuiving tussen subwoofer en hoofdluidsprekers geïntroduceerd kan worden als direct uitvloeisel van hun ongelijke luisterafstanden tot de luisteraar, kan die verschuiving best weleens 58° of 233° zijn. Geen van de vier fase-instellingen kan hier dan tot een naadloos aansluitend fasegedrag leiden. U kunt echter de luisterafstand tussen subwoofer en luisteraar wijzigen, teneinde op die manier door de fysieke luisterafstand de faseverschuiving zodanig te laten verlopen dat deze precies samenvalt met één van de vier regelstanden (0° /90° /180° /270° ). Voor het overige is de methode dezelfde als die welke werd beschreven voor het instellen van de traploze faseregelaar.

De beste en meest complete integratie kan worden gerealiseerd door het toevoegen van twee (of meer) subwoofers aan het systeem. Twee subwoofers drijven de lucht in de ruimte op een meer uniforme wijze aan en zullen (indien correct gepositioneerd) minder staande golven opwekken en ruimteresonanties aanspreken voor het bereiken van een gegeven geluidsdruk als met één subwoofer mogelijk is. Het gevolg is een gladdere basweergave met meer integratie tot de hoofdluidsprekers.

Het is mogelijk om meer dynamische impact en helderderheid in de basweergave te krijgen door de subwoofer in de buurt van de luisterpositie op te stellen — deze vrijheid heeft u absoluut met een traploos regelbare faseregelaar. De korte afstand maakt dat het geluidsaandeel van de subwoofer enigszins directer wordt en wat minder vermengd met reflecties arriveert op de luisterplaats. U hoort — en voelt — meer van de 'bas-lancerende' kwaliteiten van de geluidsgolven uit de subwoofer, hetgeen de lichamelijke uitwerking en impact van de muziek versterkt. De bas is bij correcte opstelling indrukwekkender, krachtiger en dynamischer wanneer de subwoofer zich dicht bij de luisterplaats bevindt.

De fysieke plaatsing van de subwoofer heeft ook een enorme invloed op de hoeveelheid bas die hoorbaar is, alsmede hoezeer deze met de hoofdluidsprekers integreert. Correct geplaatst is het basaandeel van een goede subwoofer schoon, strak, snel en krachtig. Zo'n subwoofer voorziet ook in een naadloze en zo 'steil' mogelijke geluidsovergang met de satellieten; u zult de subwoofer nooit als afzonderlijke luidspreker horen. Daarentegen zal een gebrekkige subwooferopstelling u met een boemende, soms extreem zware, trage en detailloze basweergave belonen, waarin weinig van de oorspronkelijke dynamische impact en tonale rijkdom over is gebleven — wellicht presteert het systeem
muzikaal heel wat beter zonder de 'foute' subwoofer; het dreunende en trage onderste anderhalf octaaf kan beter helemaal niet als helemaal slecht worden weergegeven.








subwoofers in de wand:
soms een niet zo moeilijk te realiseren ideaal!



De simpelste en doeltreffendste methode
om een subwoofer op te stellen.....

.....is door deze dichtbij of
op de luisterplaats neer te zetten. Vervolgens haalt u de luidspreker omhoog van de vloer, totdat deze ongeveer op de hoogte komt waarop zich de oren tijdens het luisteren bevinden (soms makkelijker gezegd dan gedaan....).
Speel vervolgens een stuk muziek af met daarin dalende en stijgende basloopjes die het hele onderste frequentiespektrum omvatten — de meeste jazz met geplukte bas is uitstekend. Kruip net zolang op handen en knieën rond in de luisterruimte (zorg ervoor dat de buren u niet kunnen zien), totdat u de plek heeft gevonden waar de bas het gladst klinkt en waar elke noot zoveel mogelijk hetzelfde volume en helderheid heeft. Vermijd alle posities waarbij sommige noten langer blijven 'hangen' en/of trager of dikker klinken dan de rest.

Als de beste plaats uiteindelijk is gevonden kunt u de subwoofer het beste daar neerzetten. Als u dan weer op uw normale plaats luistert behoort de basweergave nog steeds net zo optimaal te klinken als toen u de positie al kruipend vond.

Door rond te kruipen heeft u immers de plaats gevonden — met uw oren dicht bij de vloer, want dat wordt (meestal) de hoogte waarop de subwoofer zal staan — waarop de minste ruimteresonanties hoorbaar zijn. Bijgevolg is die optimale plaats dan ook de positie van waaruit de minste resonanties worden aangesproken.

Er zullen meer van dergelijke plaatsen in de ruimte zijn, voor het geval opstelling op de beste positie op praktische bezwaren stuit. Als de subwoofer bijvoorbeeld rechts van uw luisterstoel is opgesteld zal op precies dezelfde plaats links van uw luisterstoel eenzelfde akoestisch evenwicht bestaan, op voorwaarde dat de luisterruimte zelf symmetrisch is. Verder bestaan er nog minimaal twee, maar waarschijnlijk vier andere plaatsen — eveneens elkaars spiegelbeeld — die waarschijnlijk ook tot een aanvaardbaar compromis kunnen leiden voor subwooferopstelling. De al kruipend ontdekte, ideale positie op 40cm. boven de vloer heeft namelijk niet alleen een spiegelbeeld aan de andere zijde van de kamerhelft, maar ook een op 40cm. van het plafond.

Wanneer u twee subwoofers gebruikt verdient het aanbeveling om kruipend op zoek te gaan naar twee
symmetrisch verschillende opstellingen. Daarmee wordt bedoeld dat de afstanden tot achterwand en zijwand van de ene positie sterk afwijken van die van de andere gevonden positie, hoewel beide posities een goede opstelling mogelijk maken. Door symmetrisch verschillende posities te kiezen wordt vermeden dat de beide subwoofers precies dezelfde afwijkingen in het frequentieverloop hebben ten gevolge van de identieke afstanden tot de dichtstbijzijnde muren — zelfs op de beste plaats worden resonanties aangestoten en staande golven opgewekt, dus verdubbeling ervan moet worden vermeden door het opstellen van de tweede subwoofer op een optimale plaats met andere verhoudingen tot de dichtsbijzijnde wanden. Een subwoofer op halve kamerhoogte werkt onder andere om deze reden zelden bevredigend. De ene dichterbij het plafond en de andere op dezelfde afstand boven de vloer plaatsen levert een evenrediger verdeling van resonanties op. Halve kamerhoogte is, net als halve kamerlengte, geen plaats om te vertoeven voor luisteraars en luidsprekers. De luisteraar zal in een symmetrische kamer meestal al op halve kamerbreedte plaatsnemen teneinde een symmetrisch ruimtelijk beeld te kunnen horen.

Algemene richtlijnen voor het opstellen van subwoofers komen deels overeen met die voor hoofdluidsprekers en fullrange systemen: stel de subwoofer niet op identieke afstanden tot de zijmuur en de achtermuur op. Stel deze evenmin in de buurt van kamerhoeken op. Vooral: varieer de twee of drie afstanden tot de dichtstbijzijnde wanden zodat de aangesproken resonanties zoveel mogelijk over een groot gebied worden verdeeld.






Samenvatting over Luidsprekerplaatsing

Het kan niet vaak genoeg worden benadrukt: luidsprekerplaatsing is de allerbelangrijkste factor voor het verbeteren van alle muzikale en geluidstechnische aspecten van de weergave van het systeem. Het is gratis, het helpt u om luistervermogens aan te scherpen of alert te houden en kan het verschil uitmaken tussen middelmatig en spectaculair geluid met dezelfde electronika en luidsprekers in dezelfde ruimte. Het getuigt van wijsheid en gepaste zuinigheid om het totale potentieel van het systeem eerst middels de optimale luidsprekeropstelling te mobiliseren, alvorens geld uit te geven aan het opwaarderen van audiocomponenten of akoestische hulpmiddelen voor het corrigeren van ruimtelijke problematiek.

Nadat de beste positie is gevonden en (met het oog op de toekomst) aan het papier is toevertrouwd, moeten de luidsprekers tenslotte nog massa-gekoppeld worden aan de vloer — d.w.z. dat de (bijgeleverde) spikes moeten worden geïnstalleerd. Als u uw vloer niet met de spikes wilt beschadigen kunt u het geheel op een zware tegel plaatsen, nog altijd met de spikes geïnstalleerd. Met behulp van de spikes kan elke luidspreker waterpas worden geplaatst — ook dit is een essentieel onderdeel van het handhaven van de noodzakelijke links/rechts symmetrie in de opstelling. Let ook op dat de luidspreker niet wiebelt; het gewicht van de luidspreker moet in principe door alle vier spikes evenredig worden gedragen (drie spikes kunnen uiteraard niet wiebelen) terwijl deze waterpas staat.

U heeft gezien dat luidsprekeropstelling actief gebruikt kan worden bij het beheersen van diverse aspecten van de muzikale presentatie. De kwaliteit en kwantiteit van de bas kan gemanipuleerd worden door de afstanden tot zij- en achterwand te variëren. Hoorbaarheid van ruimteresonanties is tevens aan deze afstanden gerelateerd, alsmede aan de positie van de luisterstoel. Door aanvullende experimenten of het laten maken van een akoestische optimalisatieberekening middels speciale software kunt u het gepresenteerde geluidsbeeld ook anders beleven (luisterhoek en luisterafstand). De treble balans kan worden gemanipuleerd middels de luisterhoogte en het indraaien van de luidsprekers. Ook het evenwicht tussen instrumentenplaatsing in en omvang van het ruimtelijk beeld kan worden verschoven door het indraaien van de luidsprekers. De diepte van het geluidsbeeld kan toenemen door de luidsprekers ver genoeg vòòr de achtermuur op te stellen. Al met al een behoorlijke hoeveelheid gratis maatregelen die uitgevoerd kunnen (en zouden moeten) worden vooraleer de werkelijke akoestiek van een ruimte wordt aangepakt.


naar boven